ECLI:NL:PHR:2008:BD5508

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12591
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 RvArt. 278 lid 1 RvArt. 81 ROArt. 285 FwArt. 342 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep bij afwijzing schuldsaneringsregeling wegens ontbreken beroepsgronden

Verzoeker en zijn echtgenoot hebben bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van circa €23.000. Verzoeker stelde dat zijn schulden waren ontstaan door vervalsing van zijn handtekening voor een lening. De rechtbank wees het verzoek af. Verzoeker ging in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat hem niet-ontvankelijk verklaarde omdat het beroepschrift geen gronden bevatte waarop het beroep steunde.

Verzoeker stelde in cassatie dat het hof ten onrechte oordeelde dat hij geen gronden had aangevoerd en dat hij wel te goeder trouw was bij het aangaan van de schulden. De Hoge Raad overwoog dat het beroepschrift volgens de wet de gronden van het beroep moet bevatten en dat aanvulling van gronden na de beroepstermijn in beginsel niet is toegestaan, tenzij sprake is van onvoorziene omstandigheden en spoedige indiening.

De Hoge Raad oordeelde dat verzoeker geen geldige gronden in het beroepschrift had opgenomen en dat het hof terecht niet-ontvankelijkheid had vastgesteld. De klachten faalden ook omdat zij feitelijk onderzoek vereisten dat in cassatie niet aan de orde is. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het beroepschrift geen gronden bevatte en aanvulling te laat was ingediend.

Conclusie

07/12591
Mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 20 juni 2008
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
Het gaat in deze schuldsaneringszaak om de vraag of het beroepschrift gronden bevat.
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Blijkens de verklaring van art. 285 Faillissementswet Pro heeft verzoeker tot cassatie, [verzoeker], samen met [betrokkene 1] een schuldenlast van circa € 23.000,-. [Verzoeker] en [betrokkene 1] zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en ontvangen beiden een uitkering.
1.2 Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Rotterdam op 23 maart 2007, hebben [verzoeker] en [betrokkene 1] de rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.
1.3 [Verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij in de schulden is gekomen doordat iemand zijn handtekening heeft vervalst en daarmee op zijn naam een lening heeft afgesloten. Hij draait nu op voor de aflossing van die lening.
1.4 Nadat op 7 juni 2007 de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij vonnis van 14 juni 2007 beide verzoeken afgewezen.
1.5 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij hij heeft verzocht het bestreden vonnis te vernietigen en te beslissen dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing zal worden.
1.6 Het hof heeft de zaak ter zitting van 2 oktober 2007 inhoudelijk behandeld. Bij arrest van 9 oktober 2007 heeft het hof [verzoeker] vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
1.7 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld.
2. Bespreking van het cassatieberoep
2.1 Het beroep is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn hoger beroep.
Het hof heeft deze beslissing op grond van de volgende overwegingen genomen:
"1. [Verzoeker] heeft in zijn beroepschrift geen gronden aangevoerd tegen het bestreden vonnis. Eerst ter zitting van het hof zijn door [verzoeker] de gronden aangevoerd. Niet gebleken is dat [verzoeker] redelijkerwijs niet in staat was de gronden van het beroep eerder door middel van een aanvullend beroepschrift in te dienen.
2. Het hof is van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 359 jo Pro 278 Rv dat het beroepschrift de gronden dient te bevatten waarop het hoger beroep berust. Voorts is vaste rechtspraak dat, indien in het verzoekschrift waarmee het hoger beroep is ingesteld, een voorbehoud is gemaakt tot aanvulling of wijziging van de daarin geformuleerde beroepsgronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over de benodigde stukken uit de eerste aanleg, de verzoeker na het verstrijken van de beroepstermijn de gronden van het beroep kan aanvullen en wijzigen, mits dit gronden betreft die niet bij het binnen de beroepstermijn ingediende verzoekschrift konden worden aangevoerd. Zo'n aanvullend verzoekschrift dient echter met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn als overeenstemmend met de wettelijke beroepstermijn heeft te gelden.
(...)
4. Ten overvloede overweegt het hof dat uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken van feiten en omstandigheden welke bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep zouden hebben geleid tot toewijzing van het verzoek van [verzoeker] om de schuldsaneringsregeling alsnog op hem van toepassing te verklaren."
2.2 In het cassatieverzoekschrift worden drie klachten geformuleerd.
Volgens de eerste klacht is het oordeel van het hof, dat [verzoeker] in zijn beroepschrift geen gronden heeft aangevoerd tegen het bestreden vonnis, onjuist en bevat het beroepschrift van [verzoeker] de grond dat hij wel te goeder trouw was bij het aangaan van de schulden.
2.3 Ingevolge het bepaalde in artikel 359 Rv Pro. in samenhang met artikel 278 lid 1 Rv Pro. dient het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het hoger beroep rust. Indien het beroepschrift geen appelgronden bevat, heeft dit in beginsel niet-ontvankelijkheid van appellant in zijn hoger beroep tot gevolg.
Of een beroepschrift behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven bevat, staat ter beoordeling van de appelrechter. In cassatie kan de uitleg van de gedingstukken door het hof slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.
2.4 Ik lees in het cassatieverzoekschrift uitsluitend de rechtsklacht dat de overwegingen van het hof onjuist zijn en geen aan de eisen van artikel 407 lid 2 Rv Pro. voldoende motiveringsklacht. Hierop stuit de eerste klacht af.
2.5 Voor zover bij een zeer welwillende lezing van een motiveringsklacht zou kunnen worden gesproken, faalt deze. In de onderhavige zaak heeft [verzoeker] in hoger beroep aangevoerd:
"4. De redenen die de rechtbank geeft voor de afwijzing van het verzoek van [verzoeker] is hem niet bekend. Hij kan zich echter hoe dan ook niet vinden in deze beslissing omdat hij bij het ontstaan van zijn schulden weldegelijk te goeder trouw is geweest. [Verzoeker] heeft een inkomen en zou, als hij in de schuldsaneringsregeling zou vallen, kunnen voldoen aan de verplichting om geen nieuwe schulden te laten ontstaan."
2.6 Aan grieven wordt als eis gesteld dat daarin de gronden worden aangevoerd ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd en dat zij behoorlijk in het geding naar voren worden gebracht, zodat zij voor de appelrechter en de wederpartij (zo die er is) voldoende kenbaar zijn(3). Deze regel geldt ook in verzoekschriftprocedures, tenzij uit de wet het tegendeel blijkt(4). Daarvan is hier geen sprake.
2.7 Uit het onder 2.5 weergegeven citaat uit het beroepschrift blijkt dat [verzoeker] heeft volstaan met de stelling dat hij zich niet kan verenigen met de beslissing van de rechtbank omdat "hij wel te goeder trouw is geweest bij het ontstaan van zijn schulden." Iedere verdere toelichting of uitleg ontbreekt. Onder deze omstandigheden is het oordeel van het hof dat geen gronden zijn aangevoerd, niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
2.8 In de tweede klacht wordt betoogd dat het wenselijker zou zijn geweest indien een aanvullend beroepschrift zou zijn ingediend, maar dat het hof [verzoeker] in deze zaak ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard nu er geen sprake is van een tegenpartij en het hof in haar beoordeling van de zaak nog alle tijd had om de stukken te bestuderen.
2.9 Op het wettelijk voorschrift dat het beroepschrift de gronden bevat waarop het berust, kan een uitzondering worden gemaakt in het - zich hier voordoende - geval dat in het beroepschrift een voorbehoud is gemaakt tot aanvulling der gronden in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over een essentieel processtuk, zoals het bestreden vonnis. Volgens vaste jurisprudentie(5) dient zo'n aanvullend beroepschrift met bekwame spoed te worden ingediend, waarbij een termijn van veertien dagen - of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn - na de dag van verstrekking of verzending heeft te gelden. Waar in zaken als de onderhavige geldt dat gedurende acht dagen hoger beroep kan worden ingesteld, heeft deze termijn eveneens te gelden voor indiening van een aanvullend beroepschrift.
2.10 Anders dan de klacht betoogt gaat het niet om een nadere toelichting van de appelgronden tijdens de mondelinge behandeling - daarvoor is in beginsel in dat stadium volop gelegenheid - maar om het aanvullen van gronden tijdens de mondelinge behandeling. Uit de hiervoor weergegeven vaste rechtspraak blijkt dat dit te laat is.
De klacht faalt mitsdien.
2.11 De derde klacht betoogt dat [verzoeker] wel te goeder trouw was bij het aangaan van de schulden en dat bovendien een groot deel van de schulden ouder is dan 5 jaar, zodat de schuldsaneringsregeling alsnog toegewezen dient te worden.
2.12 Ook deze klacht faalt omdat daarin wordt opgekomen tegen een ten overvloede gegeven overweging van het hof, en daarnaast omdat de klacht een feitelijk onderzoek vergt waarvoor in cassatie geen plaats is.
2.13 Nu in deze zaak geen vragen worden opgeworpen die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven, kan het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro worden afgedaan.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G
1 Zie het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2007 onder 2.
2 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 17 oktober 2007, overeenkomstig de in art. 342 lid 3 Fw Pro genoemde cassatietermijn van 8 dagen
3 HR 14 oktober 2005, NJ 2006, 620.
4 HR 15 december 1989, NJ 1990, 351 m.nt.WHH.
5 HR 23 december 2005, NJ 2006, 31.