ECLI:NL:PHR:2008:BD5508
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep bij afwijzing schuldsaneringsregeling wegens ontbreken beroepsgronden
Verzoeker en zijn echtgenoot hebben bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van circa €23.000. Verzoeker stelde dat zijn schulden waren ontstaan door vervalsing van zijn handtekening voor een lening. De rechtbank wees het verzoek af. Verzoeker ging in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, dat hem niet-ontvankelijk verklaarde omdat het beroepschrift geen gronden bevatte waarop het beroep steunde.
Verzoeker stelde in cassatie dat het hof ten onrechte oordeelde dat hij geen gronden had aangevoerd en dat hij wel te goeder trouw was bij het aangaan van de schulden. De Hoge Raad overwoog dat het beroepschrift volgens de wet de gronden van het beroep moet bevatten en dat aanvulling van gronden na de beroepstermijn in beginsel niet is toegestaan, tenzij sprake is van onvoorziene omstandigheden en spoedige indiening.
De Hoge Raad oordeelde dat verzoeker geen geldige gronden in het beroepschrift had opgenomen en dat het hof terecht niet-ontvankelijkheid had vastgesteld. De klachten faalden ook omdat zij feitelijk onderzoek vereisten dat in cassatie niet aan de orde is. Het cassatieberoep werd verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het beroepschrift geen gronden bevatte en aanvulling te laat was ingediend.