ECLI:NL:PHR:2008:BD2870
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid nationale regeling melkquotum investeringsverplichtingen na 1 september 1981
In deze zaak stond de vraag centraal of een nationale regeling die investeringsverplichtingen na 1 september 1981 als voorwaarde stelt voor het verkrijgen van een specifieke referentiehoeveelheid melk, verenigbaar is met artikel 3, sub 1, van EG-verordening nr. 857/84. De Hoge Raad had hierover prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Het Hof van Justitie oordeelde dat de nationale regeling die investeringsverplichtingen tussen 1 september 1981 en 1 maart 1984 als voorwaarde stelt, niet in strijd is met de verordening. Dit geldt specifiek voor investeringen zonder ontwikkelingsplan. Het Hof benadrukte dat een dergelijke beperking gerechtvaardigd kan zijn vanwege het reële gevaar van uitputting van de nationale reserve melkquota.
De eiser betoogde dat ook investeringen vóór 1 september 1981 in aanmerking moesten worden genomen en dat nader bewijs van het reële gevaar van uitputting door de nationale rechter moest worden onderzocht. De Hoge Raad verwierp deze argumenten, verwijzend naar het arrest van het Hof van Justitie en het feit dat het hof Amsterdam het beroep op een ontwikkelingsplan had verworpen.
Uiteindelijk verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep tegen het arrest van het hof Amsterdam, waarmee de geldigheid van de nationale regeling werd bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de nationale regeling wordt bevestigd als verenigbaar met EU-recht.