ECLI:NL:PHR:2008:BD2005
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt beschikking wegens onjuiste maatstaf bij voorlopige machtiging Wet Bopz
In deze zaak heeft de officier van justitie een verzoek ingediend bij de rechtbank Rotterdam tot verlening van een voorlopige machtiging op grond van artikel 2 Wet Pro bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op te nemen en te laten verblijven. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat zij oordeelde dat niet was komen vast te staan dat betrokkene een onmiddellijk dreigend gevaar vormde zoals vereist onder artikel 20 Wet Pro Bopz.
De officier van justitie stelde in cassatie dat de rechtbank de verkeerde wettelijke maatstaf had gehanteerd door artikel 20 toe Pro te passen in plaats van artikel 2. De Hoge Raad oordeelt dat het verzoek inderdaad op grond van artikel 2 Wet Pro Bopz beoordeeld had moeten worden, aangezien het ging om een voorlopige machtiging en niet om een machtiging tot voortzetting van inbewaringstelling. De rechtbank heeft daarmee een onjuiste rechtsopvatting gevolgd.
De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor hernieuwde beoordeling volgens de juiste maatstaf. De Hoge Raad onthoudt zich van een inhoudelijke beoordeling van het gevaar in de zin van artikel 2 Wet Pro Bopz om de lagere rechter niet voor de voeten te lopen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling volgens artikel 2 Wet Bopz.