ECLI:NL:PHR:2008:BC8673
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte in bouwfraudezaak wegens ontbreken van wetenschap omtrent gift en tegenprestatie
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage in een bouwfraudezaak. De verdachte, ambtenaar en hoofd van een afdeling bij Rijkswaterstaat, werd verdacht van het aannemen van giften van een aannemersbedrijf in de vorm van reizen, geldbedragen en andere voordelen, met het oogmerk hem te bewegen in strijd met zijn plicht te handelen. Het hof sprak de verdachte vrij omdat niet wettig en overtuigend was bewezen dat hij wist dat deze giften bedoeld waren als omkoping.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de betekenis van het bestanddeel "wetende dat" in de artikelen 362 en 363 Sr (oud). Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie blijkt dat dit begrip vereist dat de verdachte het doel van de gift of belofte duidelijk moet hebben begrepen; voorwaardelijk opzet is niet voldoende. De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gevolgd door de verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van deze wetenschap.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht de dagvaarding gedeeltelijk nietig heeft verklaard wegens innerlijke tegenstrijdigheden en onduidelijkheden. Ook is vastgesteld dat het Openbaar Ministerie in cassatie ontvankelijk is, ondanks dat de cassatieschriftuur door een andere advocaat-generaal werd ingediend dan degene die het beroep had ingesteld.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee de vrijspraak van de verdachte. Het arrest geeft tevens een belangrijke toelichting op de interpretatie van het bestanddeel "wetende dat" in de context van ambtelijke omkoping onder het oude strafrecht.
Uitkomst: De verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij wist dat de giften bedoeld waren als omkoping.