ECLI:NL:PHR:2008:BC8581

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01199/07 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 8.1 Wet MilieubeheerArt. 81 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij op basis van recent rapport

In deze zaak stond de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij centraal. Het hof had bij de berekening gebruikgemaakt van een rapport uit april 2005 van het Bureau Ontnemingswetgeving van het Openbaar Ministerie, waarin een gemiddelde opbrengst van 28,2 gram per plant werd gehanteerd. De verdediging stelde dat het hof had moeten uitgaan van een lagere opbrengst van 22 gram per plant, gebaseerd op een ouder rapport van het Gerechtelijk Laboratorium uit 1995.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het recentere rapport uit 2005 als uitgangspunt had genomen, omdat dit onderzoek beter aansloot bij de actuele omstandigheden van de hennepkwekerij. Het hof hoefde niet uit te gaan van het oudere rapport, dat ongeveer tien jaar eerder was opgesteld. De keuze van het hof was niet onbegrijpelijk en het cassatiemiddel faalde.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dan ook dat het cassatieberoep verworpen moet worden. Er waren geen gronden voor de Hoge Raad om ambtshalve de bestreden uitspraak te vernietigen. De zaak betreft een bevestiging van de gehanteerde methode voor het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof mocht uitgaan van een gemiddelde opbrengst van 28,2 gram per hennepplant bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Conclusie

Nr. 01199/07 P
Mr. Vellinga
Zitting: 4 maart 2008 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 10 april 2006 het door de veroordeelde uit "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B (oud), van de Opiumwet gegeven verbod, medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet Milieubeheer", verkregen voordeel vastgesteld op € 31.475,40 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
2. Namens de veroordeelde heeft mr. H.P. Ruysink, advocaat te Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel begrijp ik aldus dat het er over klaagt dat het Hof bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel had moeten uitgaan van een gemiddelde opbrengst van 22 gram per plant in plaats van 28,2 gram per plant.
4. Het Hof heeft in een nadere bewijsoverweging - voor zover hier van belang - het volgende overwogen:
"Anders dan kennelijk in het hierboven vermelde bewijsmiddel vermeld, heeft het hof als uitgangspunt voor haar berekeningen de inhoud van de notitie "Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht" van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie van april 2005 gehanteerd."
5. Het middel dat zich, bezien in combinatie met de toelichting, kennelijk niet keert tegen het gebruik van genoemd rapport als zodanig, stelt dat "[n]u in casu niet meer te achterhalen is (...) hoeveel planten per vierkante meter hebben gestaan er uitgegaan [moest] worden van een gemiddelde van 22 gram per plant."
6. Met de opmerking "een gemiddelde opbrengst van 22 gram per plant" verwijst de steller van het middel kennelijk naar de gemiddelde opbrengst, zoals berekend in het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium (thans NFI) van 16 maart 1995.(1) Omdat de vraag gesteld kon worden bij de actualiteit van de in dat rapport geformuleerde normen, en teneinde meer uniformiteit in de berekeningen van wederrechtelijk verkregen voordeel te bewerkstelligen en meer duidelijkheid te verschaffen, is in 2003 het project "Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen" gestart. Het door het Hof hiervoor onder 4 genoemde rapport van april 2005 is de uitkomst van dat project.(2)
7. Het Hof is bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen uitgegaan van laatstgenoemd rapport. In dat rapport is voor de opbrengst wanneer - zoals het middel overeenkomstig kennelijk het Hof tot uitgangspunt neemt - het aantal planten per vierkante meter niet bekend is, een hoeveelheid van 28,2 gram per plant berekend."(3) De keuze van het Hof voor het hanteren van de berekening uit dat rapport is niet onbegrijpelijk nu genoemd rapport is gebaseerd op onderzoek van recenter datum en dus geacht kan zijn beter te zijn toegesneden op het onderhavige geval dan het rapport van 16 maart 1995, dat immers is uitgebracht ongeveer tien jaar voor de gedragingen waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 bedoelde Pro motivering.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 H. Huizer en A.I. Poortman-van der Meer, Rapport inzake de opbrengst van hennepplanten bij "binnenkweek", 16 maart 1995.
2 Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, uitgave van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie, april 2005, p. 1.
3 Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht, uitgave van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie, april 2005, p. 22.