ECLI:NL:PHR:2008:BC8446
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid voorlopige machtiging en hoorplicht Wet Bopz ondanks beperkingen in onderzoek en verhoorplaats
De zaak betreft een verzoek tot voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz, waarbij betrokkene aanvankelijk niet bereid was zich te laten horen en niet in haar woning wilde worden gehoord. De rechtbank heeft betrokkene uiteindelijk telefonisch gehoord, waarna de voorlopige machtiging is verleend. Betrokkene stelde in cassatie dat de hoorplicht niet was nageleefd omdat zij pas na de beschikking werd gehoord en dat zij ten onrechte thuis werd opgeroepen terwijl zij dit niet wenste.
De Hoge Raad oordeelde dat aan de hoorplicht was voldaan omdat betrokkene vóór de uitspraak van de beschikking is gehoord, ook al was dit telefonisch en niet in het gerechtsgebouw. De plaats van verhoor is niet doorslaggevend zolang betrokkene wordt gehoord. Daarnaast is geoordeeld dat het ontbreken van een direct psychiatrisch onderzoek door de rapporterende psychiater niet tot vernietiging leidt, mits de psychiater in zijn verklaring motiveert waarom het onderzoek beperkt was en op basis van andere informatie tot zijn oordeel is gekomen.
De motivering van het gevaarscriterium, dat de stoornis van betrokkene leidt tot gevaarlijke zelfverwaarlozing, is volgens de Hoge Raad voldoende concreet en begrijpelijk. De rechtbank heeft de onhygiënische en brandgevaarlijke situatie in de woning en de verwaarlozing van diabetes als onderbouwing gebruikt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de voorlopige machtiging.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de voorlopige machtiging ondanks beperkingen in het onderzoek en de wijze van horen.