ECLI:NL:PHR:2008:BC7919
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verzoek tot vaststelling Nederlanderschap minderjarige bij onjuiste persoonsgegevens en staatloosheid
De zaak betreft een verzoek ex art. 17 RWN Pro tot vaststelling van het Nederlanderschap van een minderjarige, [kind], dochter van verzoekers die stellen staatloos te zijn en tot de Maktoumin behoren. Zij hebben een optieverklaring ex art. 6 lid 1 RWN Pro afgelegd, maar de Staat betwist de staatloosheid en authenticiteit van de overgelegde identiteitsverklaringen.
De rechtbank heeft uitgebreid onderzoek gedaan, waaronder het inwinnen van informatie bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, en concludeerde dat de authenticiteit van de documenten twijfelachtig is en dat niet aannemelijk is dat verzoekers tot de Maktoumin behoren. Ook is niet aannemelijk dat de plaatselijke Mukhtar niet zou meewerken aan het verkrijgen van een officiële verklaring.
De rechtbank wees het verzoek af omdat niet kon worden vastgesteld dat [kind] staatloos was bij geboorte en dus geen Nederlanderschap via optie heeft verkregen. Verzoekers gingen hiertegen in cassatie, maar de Hoge Raad verwierp hun middelen, stellende dat de rechtbank haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd en dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij staatloos zijn of tot de Maktoumin behoren.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van de minderjarige wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van staatloosheid.