ECLI:NL:PHR:2008:BC7721

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/110HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 354 Fw (oud)Art. 355 lid 2 Fw (oud)Art. 342 lid 3 Fw (oud)Art. 355 FwArt. 351 lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding termijn schuldsaneringsregeling

Verzoekster was onderworpen aan een definitieve schuldsaneringsregeling die door de rechtbank Rotterdam op 10 december 2003 was vastgesteld. Deze regeling werd op 22 januari 2007 door de rechtbank beëindigd zonder dat verzoekster een 'schone lei' werd verleend. Verzoekster ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, maar het hof bekrachtigde op 15 mei 2007 het vonnis van de rechtbank.

Tegen dit arrest stelde verzoekster beroep in cassatie in, maar dit beroep werd ingediend na het verstrijken van de wettelijke termijn van acht dagen, die liep tot en met 23 mei 2007. Het cassatieberoep werd pas op 31 mei 2007 per fax en op 1 juni 2007 in origineel ingediend bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de termijn zoals bepaald in art. 355 lid Pro 2 (oud) jo. art. 342 lid Pro 3 (oud) Fw en de daarop volgende bepalingen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn.

Conclusie

Rek.nr. R07/110HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 21 maart 2008
conclusie inzake
[Verzoekster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 december 2003 is ten aanzien van thans verzoekster tot cassatie, hierna: [verzoekster], de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
2. Bij vonnis van genoemde rechtbank van 22 januari 2007 is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] beëindigd zonder dat aan haar een "schone lei" is verleend.
3. [Verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij arrest van 15 mei 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
4. Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld bij een verzoekschrift dat op 31 mei 2007 per fax en op 1 juni 2007 in origineel ter griffie van de Hoge Raad is ingekomen.
5. Aangezien het arrest van het hof is gewezen op het hoger beroep van een vonnis als bedoeld in art. 354 (oud) Fw, bedraagt ingevolge art. 355 lid Pro 2 (oud) jo. art. 342 lid Pro 3 (oud) Fw de cassatietermijn, evenals onder de huidige, bij Wet van 24 mei 2007, Stb. 192, per 1 januari 2008 ingevoerde regeling (art. 355 jo Pro. art. 351 lid 5 Fw Pro), acht dagen na de dag van de uitspraak van het arrest van het gerechtshof. Vgl. conclusie A-G Keus voor HR 7 april 2006, R05/106HR, LJN:AU9735, onder 1.5, voetnoot 3, en R.J. Verschoof, Schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen, 1998, blz. 169. Het arrest van het hof is uitgesproken op 15 mei 2007. De termijn voor beroep in cassatie eindigde derhalve op 23 mei 2007. Het cassatieberoep is echter ingesteld op 31 mei 2007 en mitsdien te laat. [Verzoekster] kan bijgevolg in haar cassatieberoep niet worden ontvangen.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoekster] in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,