ECLI:NL:PHR:2008:BC7673
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bindende nakoming beëindigingsovereenkomst en weigert opschorting betalingsverplichting
In deze zaak staat een geschil centraal over de nakoming van een beëindigingsovereenkomst tussen AV en [verweerster], waarbij AV een vergoeding van vijf miljoen gulden verschuldigd is, te voldoen in tien jaarlijkse termijnen met rente. De vennootschap stelde onder meer dat de overeenkomst niet bindend was vanwege gebrek aan wilsovereenstemming, dwaling, bedrog, onvoorziene omstandigheden en dat zij haar betalingsverplichtingen mocht opschorten zolang twee risicoverzekeringen niet onvoorwaardelijk tot stand waren gekomen.
De rechtbank en het hof verwierpen deze verweren en oordeelden dat de overeenkomsten één onlosmakelijk geheel vormen en dat de vennootschap gebonden is aan de betalingsverplichtingen, ongeacht het niet tot stand komen van de verzekeringen. Het hof verwees naar een eerdere bindende beschikking van de familiekamer in de echtscheidingsprocedure tussen [verweerster] en [betrokkene 1], waarin de interpretatie van het echtscheidingsconvenant was vastgesteld.
In cassatie bevestigt de Hoge Raad dat de vennootschap niet kan opschorten omdat onvoldoende samenhang bestaat tussen haar betalingsverplichting en de inspanningsverplichting van [verweerster] voor het sluiten van de verzekeringen. Tevens wijst de Hoge Raad het beroep op onvoorziene omstandigheden af, mede omdat de fiscale problematiek bij het sluiten van de overeenkomst bekend was. De cassatie wordt verworpen, waarmee de eerdere uitspraken in stand blijven.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat AV gehouden is tot nakoming van de beëindigingsovereenkomst zonder opschorting van betaling.