ECLI:NL:PHR:2008:BC6627

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/094HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FwArt. 81 ROArt. 81 RvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens verzwijging detentie door schuldenaar

De schuldenaar werd in oktober 2006 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Tijdens de toelatingszitting verzweeg hij dat hij was veroordeeld tot gevangenisstraffen en dat hij detentie moest uitzitten. De rechtbank beëindigde daarop de regeling op voordracht van de rechter-commissaris. Het hof bekrachtigde dit besluit en oordeelde dat verzwijging van relevante informatie een geldige grond is voor beëindiging van de regeling volgens art. 350 lid 3 onder Pro c van de Faillissementswet.

De schuldenaar stelde in cassatie dat detentie geen reden mag zijn voor beëindiging en dat hij ondanks detentie aan zijn verplichtingen kon voldoen. Ook voerde hij aan dat hij saneringsgezind was en dat hij zijn schuldeisers had gemeld. De Hoge Raad verwierp deze klachten en stelde dat het hof terecht oordeelde dat verzwijging voorafgaand aan de regeling een beëindigingsgrond is en dat detentie de nakoming van verplichtingen belemmert.

De Hoge Raad benadrukte dat de regeling niet bedoeld is voor personen die onvolledig of onjuist informatie verstrekken en dat de rechter niet gehouden is om uit menselijk of maatschappelijk oogpunt een andere oplossing te zoeken. Het beroep werd verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens verzwijging van detentie.

Conclusie

Reknr. R07/094HR
mr J. Spier
Parket 5 maart 2008
Conclusie inzake
[Verzoeker]
1. Feiten en procesverloop
1.1 Bij vonnis van de Rechtbank Utrecht van 18 oktober 2006 is op zijn verzoek de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard op [verzoeker].
1.2 Uit het aanvangsverslag van de bewindvoerder blijkt dat [verzoeker] regelmatig met justitie in aanraking is geweest, in de periode 1994/1997 zwart heeft gewerkt en fraude heeft gepleegd.
1.3 Bij vonnis van 26 februari 2007 heeft de Rechtbank Utrecht de toepassing der schuldsaneringsregeling beëindigd op voordracht van de R-C.
1.4 [Verzoeker] heeft beroep ingesteld.
1.5 De bewindvoerder heeft op 18 april 2007 - blijkens de brief in kopie gezonden naar [verzoeker]s advocaat - een brief gezonden aan het Hof; bij deze brief - die slechts vermeldt dat "de stand van de boedel in deze nihil is" - is het onder 1.2 genoemde verslag gevoegd.
1.6 Blijkens het p.v. heeft [verzoeker] bij de mondelinge behandeling te Hove verklaard dat hij twintig maanden "moet uitzitten", dat hij medeplichtig was aan oplichting en dat bij hem (kennelijk in 2002, zo voeg ik toe) twee auto's en "wat goud" in beslag zijn genomen.
1.7 Bij arrest van 3 mei 2007 heeft het Hof Arnhem het bestreden vonnis bekrachtigd. Volgens het Hof is toepassing van de beëindigingsgrond van art. 350 lid 3 onder Pro c Fw. niet beperkt tot misbruik tijdens de regeling (rov. 3.2). [Verzoeker] heeft tijdens de toelatingszitting nagelaten te vermelden dat hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 103 dagen en een straf van 30 maanden. Hij had moeten begrijpen dat dit aan een doelmatige uitvoering van de regeling in de weg zou kunnen staan. Zou [verzoeker] een en ander hebben meegedeeld dan was hij zeer waarschijnlijk niet toegelaten tot de schuldsanering (rov. 3.2). Bovendien is [verzoeker] door zijn detentie niet in staat aan de uit de regeling voor hem voortvloeiende verplichtingen om zoveel mogelijk inkomsten te genereren te voldoen. Ook als hij deze aan de boedel zou afdragen, is het resultaat van zijn arbeidsinzet door een aan hem te wijten omstandigheid niet optimaal voor de schuldeisers (rov. 3.3). Ten slotte kan door de detentie niet duidelijk worden of sprake is van een saneringsgezindheid (rov. 3.4).
1.8.1 [Verzoeker] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld.
1.8.2 Rappèl door de griffie van Uw Raad ten spijt, heeft mr Garretsen het dossier eerst op 26 februari 2008 ingeleverd. Daardoor is helaas aanmerkelijke vertraging ontstaan. Ik zie daarin aanleiding onverwijld te concluderen.
2. Beoordeling van de klachten
2.1 Middel I verwijt het Hof van de onder 1.5 genoemde brief te hebben kennisgenomen. Immers zou niet uit het arrest blijken dat de brief ter kennis van [verzoeker]('s advocaat) is gekomen, hetgeen ook niet is gebeurd.
2.2 Deze klacht is onbegrijpelijk. Immers bevindt de brief zich in het door mr Garretsen overlegde procesdossier. Niet wordt aangegeven dat deze eerst op een datum gelegen ná de mondelinge behandeling zou zijn ontvangen.(1)
2.3 Ten overvloede:
a. het Hof kon er geredelijk vanuit gaan dat [verzoeker]s advocaat de brief had ontvangen nu daarin wordt vermeld dat hem een kopie is verstuurd;
b. de bij de brief gevoegde bijlage was reeds in prima overgelegd; deze was [verzoeker] bekend. De in de brief zelf genoemde omstandigheid komt in 's Hofs redengeving niet voor. Daarom mist [verzoeker] belang bij zijn klacht.
2.4 Het tweede middel komt op tegen rov. 3.2 t/m 3.6. Als ik het goed zie, dan behelst het de volgende klachten:
a. strafrechtelijke detentie vormt geen wettelijke afwijzings- of beëindigingsgrond (onderdelen 5.2, 5.8 en kennelijk ook 5.9);
b. tijdens detentie kan een saniet aan zijn verplichtingen voldoen (onderdelen 5.3 en 5.4);
c. als gevolg van zijn "psychosociale problematiek" had [verzoeker] reeds vanaf 1986 een arbeidsbeperking (onderdeel 5.5);
d. er is wel degelijk sprake van saneringsgezindheid nu [verzoeker] door detentie geen nieuwe schulden kan maken, terwijl de detentie geen belemmering vormt arbeid te verrichten (onderdeel 5.6);
e. [Verzoeker] heeft tijdens de behandeling in prima melding gemaakt van de vorderingen van UWV en de belastingdienst (onderdeel 5.7).
2.5 Ik stel voorop dat ten deze zal moeten uitgegaan van de regeling in de Faillissementswet zoals deze gold ten tijde van 's Hofs arrest.
2.6 Het Hof baseert zich op art. 350 lid 3 onder Pro c Fw. Naar 's Hofs oordeel is daarvan sprake omdat [verzoeker] "bij de toelatingszitting" heeft nagelaten melding te maken van zijn detenties. Dat oordeel wordt niet (op begrijpelijke wijze) bestreden. In cassatie zal daarom moeten worden aangenomen dat deze omstandigheid valt onder art. 350 lid 3 onder Pro c Fw.
2.7 's Hofs oordeel is bovendien rechtens juist. Immers blijkt uit de MvAI dat verzwijging van informatie die ertoe leidt dat de regeling onterecht wordt toegepast, voorafgaand aan toepassing van de regeling, mede als beëindingsgrond kan gelden. Art. 350 lid 3 Fw Pro. is uitdrukkelijk niet beperkt tot misbruik tijdens de regeling.(2)
2.8 Bij deze stand van zaken zijn de klachten tot mislukken gedoemd. 's Hofs onder 1.7 samengevatte gronden kunnen zijn oordeel alleszins dragen. Eens temeer nu in cassatie niet wordt bestreden dat de schuldsaneringsregeling in casu niet zou zijn toegepast ingeval [verzoeker] van meet af aan volledig open kaart had gespeeld. Ten overvloede sta ik nog kort stil bij de afzonderlijke klachten.
2.9 De onder 2.4 sub a genoemde klacht stuit af op hetgeen onder 2.5 is vermeld.
2.10 De onder 2.4 sub b genoemde klacht getuigt van weinig realiteitszin en vormt geen toereikende weerlegging van rov. 3.3.
2.11 De relevantie van de onder 2.4 sub c genoemde klacht is mij niet geheel duidelijk. Veeleer onderstreept deze omstandigheid de juistheid van 's Hofs oordeel. Daar komt nog bij dat Uw Raad ongevoelig is voor deze en dergelijke omstandigheden.(3)
2.12 Voor zover de onder 2.4 sub d genoemde klacht ernstig gemeend is, stuit zij af op 's Hofs andersluidende en volkomen begrijpelijke rov. 3.3.
2.13.1 De relevantie van de onder 2.4 sub e genoemde klacht ontgaat me. Immers kan daaruit niet worden afgeleid dat sprake was van langdurige detentie.
2.13.2 Voor zover de klacht zo moet worden begrepen dat [verzoeker] door in het aanvraagformulier gewag te maken van een vordering van UWV ter zake van fraude volledig open kaart heeft gespeeld, verliest hij bovendien uit het oog dat de langste gevangenisstraf klaarblijkelijk is opgelegd ter zake van oplichting van een 84-jarige persoon waaromtrent in dat formulier niets is te lezen.(4) Bovendien heeft [verzoeker] aanvankelijk niets gezegd over de belastende omstandigheid dat bij hem twee auto's en wat goud in beslag zijn genomen, klaarblijkelijk jaren na het ontstaan van de vordering van UWV (en de belastingdienst); zie onder 1.6.
2.14 Middel III bindt de strijd aan met rov. 3.5 en 3.6.
2.15 Onderdeel 6.1 behelst een inleiding; onderdeel 6.2 bevat geen begrijpelijke klacht, alleen al niet omdat niet wordt vermeld op welke "feiten en omstandigheden die de man heeft aangevoerd" wordt gedoeld.
2.16 Onderdeel 6.3 verwijt het Hof "verwarring". Deze zou, naar ik begrijp, daarin bestaan dat het eraan voorbij heeft gezien dat [verzoeker] eerder tot de schuldsanering werd toegelaten zodat het daarom niet langer ging.
2.17 Deze klacht faalt op de onder 2.5 genoemde grond.
2.18 Onder 7 wordt een voorbehoud gemaakt voor het geval het p.v. daartoe aanleiding mocht geven. Nu het p-v door mr Garretsen ios overgelegd en geen nadere klachten zijn geformuleerd, kan dit voorbehoud verder blijven rusten.
2.19 De rode draad van het cassatieberoep is, naar de kern genomen, dat zelfs personen met een verleden als [verzoeker] een kans moeten krijgen om te eniger tijd van hun schulden af te komen. Zeker wanneer psychische factoren een rol spelen.
2.20 Uit menselijk en, als ik mij verstouten mag dat op te merken, ook uit maatschappelijk oogpunt valt voor die opvatting zeker wat te zeggen. Maar het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om een oplossing voor dit probleem te vinden. Mogelijk had het Hof meer compassie kunnen tonen. Gehouden was het daartoe zeker niet. Zijn arrest is ruimschoots bestand tegen de toets in cassatie.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Er is wel iets vreemd met deze brief aan de hand. Immers is daarop het stempel van (kennelijk) het Hof geplaatst.
2 Losbl. Faillissementswet art. 350 aant Pro. 2.
3 HR 20 oktober 2006, NJ 2006, 572.
4 Ik leid dat af uit het p.v. van de mondelinge behandeling bij het Hof.