1 De feiten zijn, tenzij anders vermeld, ontleend aan rov. 3 van de bestreden beschikking.
2 Onbestreden is dat de man de verwekker is: zie de beschikking van de rechtbank van 18 juli 2005, onder 'De beoordeling van de verzoeken', onder 5.
3 Zie de beschikking van de rechtbank van 18 juli 2005, onder 'Het verzoek', onder 2.
4 Zie de beschikking van de rechtbank van 18 juli 2005, onder 'Het verloop van de procedure'. Zie voor de brief in het A-dossier nr. 3, in het B-dossier nr. 3.
5 De rechtbank had op dit punt onder 3 op blz. 3 van de beschikking van 18 juli 2005 genoteerd dat volgens de moeder de verwekker het kind na de geboorte slechts drie keer heeft gezien. De moeder en de andere man hebben zulks in hoger beroep bestreden en gesteld dat de moeder in eerste aanleg heeft aangevoerd dat de verwekker zeven keer contact heeft gehad met het kind (grief 2). De verwekker heeft erkend dat de vrouw zulks gesteld heeft (verweerschrift in hoger beroep, onder 6). Het hof heeft vervolgens onder 4.2, 2e alinea van zijn beschikking het standpunt van de moeder weergegeven als zou zij hebben gesteld dat de verwekker haar na de geboorte van [het kind] slechts één keer heeft bezocht. Dit lijkt mij met het oog op het voorgaande een kennelijke vergissing.
6 Zie de beschikking van de rechtbank van 18 juli 2005, onder 'Het verzoek', onder 3.
7 Zie p-v van de mondelinge behandeling door het hof op 2 februari 2005.
8 Het verzoekschrift tot cassatie is op 21 juni 2006 bij de Hoge Raad ingekomen.
9 HR 16 februari 2001, NJ 2001, 571 (rov. 3.4); HR 9 april 2004, nr. R03/073, NJ 2005, 565 (rov. 3.3).
10 Aldus rov. 3.7 van de beschikking van 16 februari 2001, NJ 2001, 571.
11 Vgl. HR 16 juni 2006, nr. R05/072, NJ 2006, 339, JPF 2006,103, m.nt. PVl, rov. 3.4 in fine.
12 Tweede Kamer, 1995-1996, 24 649, nr. 3, p. 11.
13 Tweede Kamer, 1996-1997, 24 649, nr. 6, p. 21.
14 Tweede Kamer, 1996-1997, 24 649, nr. 28, p. 8.
15 HR 31 mei 2002, nr. R01/120, NJ 2002, 470 m.nt. JdB, rov. 3.2 onder verwijzing naar de conclusie van A-G Moltmaker sub 2.2.2; HR 9 april 2004, nr. R03/073, NJ 2005, 565, rov. 3.2.
16 HR 12 november 2004, nr. R03/098, LJN AQ7386, NJ 2005, 248 m.nt. JdB. Vgl. ook Asser-De Boer (2006), nr. 731.
17 In rov. 3.5.2 verwijst de Hoge Raad naar TK 1997-1997, 24 649, nr. 6, p. 21 en 40.
18 Vgl. de noot van JdB (sub 11) onder de beschikking.
19 Zie over deze bepaling Vermogensrecht (losbl.), J.D.A. den Tonkelaar, art. 13, aant. 47 Onevenredigheid, met verwijzingen naar andere literatuur aldaar. Voorbeelden van toepassing door de Hoge Raad onder het oude afstammingsrecht: HR 20 december 1991, NJ 1992, 598, m.nt. EAAL en HR 38 oktober 1994, NJ 1995, 261, m.nt. JdB.
20 Zie Parl. Gesch. NBW, Invoering boeken 3, 5, en 6, Boek 3 Vermogensrecht in het algemeen, p. 1040.
21 Zie Parl. Gesch. NBW (vorige voetnoot), pp. 1043 en 1046.
22 Asser-Mijnssen-Van Dam-Van Velten, Goederenrecht (2002), nr. 48.
23 Zie Parl. Gesch. NBW (voetnoot 20), p. 1043.
24 Ook in dit verband kan dus een rol spelen rov. 3.4 in fine van HR 16 juni 2006, nr. R05/072, NJ 2006, 339, JPF 2006, 103, m.nt. PVl.
25 Vgl. HR 8 juli 1992, NJ 1992, 713.
26 Vgl. hierboven nrs. 3.3.2 en 4.6.
27 Zie verweerschrift in eerste aanleg nrs. 2-4, 7, 19, 24, en beroepschrift nrs. 6, 9, 11 en 14.
28 Vgl. prod. 1 (schrijven van de andere man) bij brief van mr. Raaijmakers van 25 januari 2006 ten behoeve van de mondelinge behandeling voor het hof, p. 2, laatste zes regels; P-V van de zitting van het hof van 2 februari 2006, p. 3, tweede alinea, onder 'de moeder', vierde regel van onderen; zelfde P-V, p. 4, vierde alinea, onder 'mr. Raaijmakers", tweede volzin. Ik herinner voorts aan par. 3.3.6.
29 Zie p. 3 van dat proces-verbaal.