ECLI:NL:PHR:2008:BC2255
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht van één ouder op verzoek gezamenlijk gezag na echtscheiding ondanks ontbreken eensluidend verzoek
In deze zaak heeft de vader na echtscheiding verzocht om gezamenlijk gezag over hun minderjarige dochter, ondanks dat de moeder dit niet wenste. Het Gerecht in Eerste Aanleg en het Hof hadden het verzoek van de vader afgewezen op grond van het vereiste van een eensluidend verzoek volgens het Nederlands-Antilliaanse recht (art. 1:251 BW Pro NA).
De Hoge Raad heeft in cassatie overwogen dat het recht op gezinsleven (art. 8 EVRM Pro) en het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM Pro) meebrengen dat de vader het verzoek tot gezamenlijk gezag ook zonder instemming van de moeder kan indienen. De beperking in het Nederlands-Antilliaanse recht dat alleen een eensluidend verzoek mogelijk is, is daarmee in strijd.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden oordeel en verwijst de zaak naar het Hof voor een inhoudelijke beoordeling of het belang van het kind zich verzet tegen het gezamenlijk gezag. Hiermee wordt bevestigd dat het gezamenlijk gezag een volwaardig alternatief is voor eenhoofdig gezag, waarbij het belang van het kind leidend is.
De uitspraak benadrukt tevens dat het Nederlands-Antilliaanse recht niet automatisch meebeweegt met wijzigingen in het Nederlandse recht, maar dat internationale verdragsbepalingen wel directe werking kunnen hebben. De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de verhouding tussen nationale wetgeving en het EVRM, en de noodzaak van een dynamische uitleg van het gezagsrecht in het belang van het kind.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug voor inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot gezamenlijk gezag.