ECLI:NL:PHR:2008:BC1871
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geldigheid testament bij vermeende wilsonbekwaamheid en dwang in erfrechtelijke procedure
Deze zaak betreft een geschil tussen erfgenamen over de geldigheid van een testament van een erflater die in 2001 overleed. De eisers stelden dat de erflater ten tijde van het opmaken van het testament in 1997 niet in staat was zijn wil te bepalen vanwege geestelijke stoornissen en dat het testament tot stand was gekomen door misbruik van omstandigheden en dwang.
De rechtbank stelde vast dat de erflater mogelijk geestelijke stoornissen had maar onvoldoende bewijs was geleverd dat deze ten tijde van het testament aanwezig waren. Wel werd het testament vernietigbaar geacht wegens misbruik van omstandigheden, maar het hof herzag dit en oordeelde dat het testament geldig was omdat de eisers niet slaagden in hun bewijsopdracht. Het hof verwierp ook het beroep op dwang, omdat geen feiten waren gesteld die onrechtmatig bedreigen konden aantonen.
In cassatie werd het oordeel van het hof bevestigd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewijslastverdeling correct had toegepast en dat de stellingen van dwang onvoldoende feitelijk waren toegelicht. Ook werd het oordeel over de geestelijke toestand van de erflater en de geldigheid van het testament niet onbegrijpelijk bevonden.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee het testament geldig blijft en de erfgenamen gehouden zijn tot medewerking aan de uitvoering ervan.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het testament blijft geldig.