ECLI:NL:PHR:2008:BC1343

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00835/07
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 SvArt. 6 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens te late indiening schriftuur bij Hoge Raad

Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld voor een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 met een voorwaardelijke gevangenisstraf, geldboete en ontzegging van rijbevoegdheid. Verdachte stelde cassatie in en diens raadsman diende een schriftuur in met middelen van cassatie. Hoewel de aanzegging van het cassatieberoep tijdig aan verdachte was betekend, werd de schriftuur niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee maanden ingediend bij de Hoge Raad zelf, maar eerst bij het Paleis van Justitie te ’s-Gravenhage en pas later doorgezonden naar de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt dat het indienen van de schriftuur bij de juiste instantie en binnen de wettelijke termijn een ontvankelijkheidsvoorwaarde is. Het niet naleven hiervan leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De Hoge Raad benadrukt het belang van strikte naleving van deze regels voor een doelmatige en overzichtelijke rechtspleging en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin soortgelijke fouten tot niet-ontvankelijkheid leidden.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dan ook dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien de Hoge Raad anders zou oordelen, staat een inhoudelijke bespreking van de middelen nog open, maar dit wordt niet verwacht gezien de duidelijke regels en jurisprudentie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de schriftuur bij de Hoge Raad.

Conclusie

Nr. 00835/07
Mr. Machielse
Zitting 20 november 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 17 juli 2006 voor overtreding van art. 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, tot een geldboete van € 1250,00 en tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld en mr. M.F. van Immerzeel, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende zes middelen van cassatie.
3.1. De vraag is of de Hoge Raad aan een bespreking van de middelen zal toekomen. Uit de stukken van dossier blijkt dat de aanzegging ex art. 435 lid 1 Sv Pro aan verdachte in persoon is uitgereikt op 4 april 2007. De cassatieschriftuur is blijkens een stempel, daarop gesteld, ingeleverd bij het paleis van justitie te 's-Gravenhage en wel op 1 juni 2007. Een cassatieschriftuur moet evenwel volgens het tweede lid van art. 437 Sv Pro bij de Hoge Raad worden ingediend.(1) Vervolgens is de schriftuur doorgezonden naar de Hoge Raad, waar hij op woensdag 6 juni 2007 is ontvangen. Op 6 juni 2007 was de in het tweede lid van art. 437 Sv Pro genoemde termijn al met twee dagen overschreden. Wanneer een schriftuur te laat wordt ingediend leidt dat tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De vraag is of hetzelfde geldt als een schriftuur wel is ingediend binnen de daarvoor gestelde termijn, maar niet te bestemder plaatse.
3.2. Het indienen van een schriftuur binnen een bepaalde termijn is bij Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 467 tot ontvankelijkheidsvoorwaarde gemaakt.
Mr. Van Dorst schrijft dat de Hoge Raad vroeger wat betreft de plaats waar de schriftuur moet worden ingediend, niet al te formalistisch was als het ging om een schriftuur van verdachte zelf, omdat deze niet geacht kon worden zo precies op de hoogte te zijn van de toepasselijke voorschriften. Maar advocaten moeten geacht worden ervan op de hoogte te zijn dat cassatieschrifturen moeten worden ingediend op de griffie van de Hoge Raad zelf. Voorts schrijft hij dat het indienen op een verkeerde plaats nog niet fataal behoeft te zijn mits de schriftuur binnen de indieningstermijn van art. 437 Sv Pro bij de Hoge Raad is binnengekomen.(2)
Het eisen van een schriftuur op straffe van niet-ontvankelijkverklaring van het beroep zou volgens de minister een afremmende werking kunnen hebben op het lichtvaardig aanwenden van het rechtsmiddel.(3) Inschakeling van een advocaat zou de kwaliteit en doelmatigheid van de rechtspleging in cassatie ten goede komen.(4) De minister bleek streng de hand te willen houden aan de ontvankelijkheidseisen:
"Indien niet binnen twee maanden een schriftuur wordt ingediend, volgt derhalve een niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep."(5)
Het instellen van cassatie bij een verkeerde instantie is door de Hoge Raad wel afgestraft met niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. In die zaak ging het om een advocaat die om de cassatietermijn te redden in plaats van bij het gerechtshof cassatieberoep aantekende bij de rechtbank.(6) Mijn voormalig ambtgenoot mr. Van Dorst wees in zijn conclusie op het belang van de juiste naleving van de voorschriften die het instellen van een rechtsmiddel regelen, gezien vanuit het oogpunt van een doelmatige en overzichtelijke rechtspleging. Als, doordat het rechtsmiddel op een verkeerde plaats wordt aangewend, voor belanghebbenden gedurende een bepaald tijdsverloop verborgen blijft dat een rechtsmiddel is ingesteld, zullen zij ervan uit kunnen gaan dat op het moment dat de rechtsmiddelentermijn is verlopen de beslissing onherroepelijk is. Het indienen van een cassatieschriftuur is ook een ontvankelijkheidsvoorwaarde. Betrokkenen als benadeelde partijen bijvoorbeeld, maar ook het OM, kunnen zich er wellicht van willen vergewissen dat binnen de door de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad een cassatieschriftuur is ingediend, om te weten te komen of het beroep ontvankelijk is. Wanneer een schriftuur bij de verkeerde instantie wordt ingeleverd kan dat leiden tot vertragingen en tot misverstanden.
De termijnen waarbinnen volgens de wettelijke bepalingen rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld tegen de rechterlijke uitspraak zijn van openbare orde.(7) Hetgeen voor het instellen van het rechtsmiddel zelf geldt is volgens mij ook toe te passen op de andere ontvankelijkheidsvoorwaarde voor een cassatieberoep, het indienen binnen een door de wet vastgestelde termijn van een cassatieschriftuur.
Voorts wijs ik erop dat de Hoge Raad wat betreft de termijn waarbinnen een schriftuur moet worden ingediend in het verleden streng is opgetreden in zaken waarin de schriftuur per fax naar de Hoge Raad is verzonden, maar op het tijdstip waarop de griffie niet meer geopend was.(8)
Hoewel in de onderhavige zaak niet te voorzien is dat een regelmatige en vlotte rechtsgang door de foutieve inlevering is belemmerd meen ik toch, gelet op het feit dat de voorschriften die de ontvankelijkheid van het cassatieberoep bepalen van openbare orde zijn, dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep moet worden uitgesproken nu de advocaat de schriftuur niet tijdig aan de Hoge Raad heeft doen toekomen.
Mijn conclusie is dat het beroep niet ontvankelijk zal worden verklaard. Indien de Hoge Raad over dit punt anders zou denken houd ik mij gereed voor een inhoudelijke bespreking van de voorgestelde middelen.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Mr. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e druk, p. 52.
2 Cassatie in strafzaken, p. 52/53.
3 Kamerstukken II 1997/98, 26027, nr. 3, p. 10.
4 Ibidem, p. 12.
5 Ibidem, p. 22.
6 HR 30 januari 1996, NJ 1996, 477 m.nt. Schalken.
7 Bijv. HR 23 januari 2007, LJN AZ3592.
8 HR 16 februari 1996, NJ 1997, 55 m.nt. Snijders; HR 2 september 1997, nr. 105.557 (niet gepubliceerd); HR 9 maart 1999, nr. 110.140 (niet gepubliceerd); HR 23 mei 2000, NJ 2000, 465, waarin de Hoge Raad in de nieuwe regeling van de termijn waarbinnen de cassatieschriftuur bij de Hoge Raad moet worden ingediend, reden zag de eerdere jurisprudentie te versoepelen maar niet zover ging dat aan de termijn van twee maanden, gesteld in art. 437 lid 2 Sv Pro, niet meer de hand zou behoeven te worden gehouden.