ECLI:NL:PHR:2008:BC1262
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid hoger beroep tegen wijziging voorlopige alimentatievoorzieningen
In deze zaak stond centraal of de man ontvankelijk was in zijn hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank die voorlopige voorzieningen inzake kinderalimentatie, partneralimentatie, hypotheeklasten en verrekeningen uit een beleggingsrekening betrof. De rechtbank had de man deels niet-ontvankelijk verklaard en zijn verzoeken afgewezen, waarna het hof deze niet-ontvankelijkheid bevestigde en het beroep van de man verwierp.
De Hoge Raad onderzocht of het appelverbod van artikel 824 Rv Pro doorbroken kon worden. Dit verbod geldt voor voorlopige voorzieningen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals onjuiste toepassing van de wet. De man stelde dat de rechtbank artikel 824 lid 2 in Pro verbinding met artikel 822 Rv Pro ten onrechte buiten toepassing had gelaten. De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank de verzoeken wel degelijk had getoetst aan artikel 822 lid 1 Rv Pro en terecht had geoordeeld dat de verzoeken niet onder de limitatieve opsomming van voorlopige voorzieningen vielen.
Het hof had echter onjuist geoordeeld dat de man niet-ontvankelijk was, omdat de doorbrekingsgrond niet aanwezig was. De Hoge Raad stelde dat het hof de grieven van de man had moeten verwerpen in plaats van hem niet-ontvankelijk te verklaren. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het appelverbod bij voorlopige voorzieningen en verduidelijkt de voorwaarden waaronder dit verbod kan worden doorbroken, met name dat een onjuiste rechtsopvatting of toepassing van de wet niet automatisch tot ontvankelijkheid leidt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het appelverbod niet was doorbroken, waardoor het hoger beroep van de man niet ontvankelijk was.