ECLI:NL:PHR:2008:BC0828
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafoplegging bij verlengde invoer van cocaïne ondanks geringe hoeveelheid aangetroffen drugs
In deze zaak werd verdachte aangehouden terwijl hij probeerde metalen kisten te openen waarin na een ingreep van de douane slechts 10 gram cocaïne was achtergebleven, terwijl oorspronkelijk ruim 500 kilogram cocaïne was aangetroffen in de haven van Rotterdam. Het hof veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
Verdachte stelde in cassatie dat de straf niet in redelijke verhouding stond tot de geringe hoeveelheid cocaïne die hij feitelijk invoerde, en verwees naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad (HR NJ 1998, 515) waarin werd geoordeeld dat bij het ontbreken van daadwerkelijke verdovende middelen geen strafrechtelijke aansprakelijkheid bestaat. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit arrest niet betekent dat geen rekening mag worden gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en dat de strafoplegging in beslissende mate moet worden bepaald door de hoeveelheid cocaïne waarop het handelen van verdachte betrekking had.
De Hoge Raad benadrukte dat het handelen van verdachte gericht was op de invoer van een aanzienlijk grotere hoeveelheid cocaïne en dat het hof de strafoplegging passend en voldoende gemotiveerd heeft. De benadering van het hof voorkomt dat betrokkenen bij internationale drugssmokkel die slechts aan het einde van het traject actief zijn, met een geringe straf worden geconfronteerd. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de gevangenisstraf van drie jaar wegens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.