ECLI:NL:PHR:2008:BB7032
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep bij onvoldoende appelwaarde
De eiser huurt een appartement van de Woningstichting en werd maandelijks een voorschotbedrag voor onderhoudskosten van de gemeenschappelijke tuin in rekening gebracht. De Huurcommissie oordeelde dat de onderhoudskosten voor rekening van de verhuurder kwamen, en stelde voor 2001 een vergoeding vast van €100,07. De kantonrechter wees de vorderingen van de eiser toe, maar het hof oordeelde dat de groenvoorziening weliswaar openbaar was, maar geen openbare bestemming had, waardoor de onderhoudskosten mochten worden doorberekend aan de huurders. Dit leidde tot afwijzing van de vorderingen in hoger beroep.
De eiser stelde cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad richt zich in deze procedure niet op de inhoudelijke huurrechtelijke geschillen, maar uitsluitend op de procesrechtelijke vraag of het hoger beroep van de Woningstichting ontvankelijk was. De vordering van de eiser betrof een geldbedrag van €473,56, onder de appelwaarde van €1.750,- zoals genoemd in art. 332 lid 1 Rv Pro., gecombineerd met een vordering tot verklaring voor recht.
De Hoge Raad overweegt dat de combinatie van een geldvordering onder de appelwaarde met een vordering tot verklaring voor recht niet automatisch leidt tot appellabiliteit. De mogelijke toekomstige gevolgen van de beslissing zijn te onzeker om mee te tellen bij de waardebepaling. Hierdoor is het hoger beroep van de Woningstichting niet-ontvankelijk. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart de Woningstichting niet-ontvankelijk in het hoger beroep, en veroordeelt haar in de kosten van hoger beroep en cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het hoger beroep van de Woningstichting niet-ontvankelijk en vernietigt het arrest van het hof.