ECLI:NL:PHR:2008:BB4400
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de WOZ-waarde bij bepaling eigenwoningforfait in nieuwbouwsituaties
De zaak betreft de fiscale waardering van een nieuwbouwwoning in aanbouw en de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) in samenhang met de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).
Belanghebbende kocht in 2002 een woning in aanbouw en ontving voor de periode 2003-2004 een WOZ-beschikking die de waarde van de woning als bouwgrond aangaf. De vraag was of voor de bepaling van het eigenwoningforfait de WOZ-waarde van de woning in aanbouw of een hogere waarde van de gereedstaande woning moest worden gehanteerd.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de WOZ-beschikking, ook al betreft die een woning in aanbouw, bindend is voor de heffingsinstanties en dat de vangnetbepaling van artikel 3.112, derde lid, Wet IB 2001 niet van toepassing is zolang een WOZ-beschikking voor het tijdvak aanwezig is. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en concludeert dat de WOZ-systematiek robuust is en dat de wetgever met de vangnetbepaling slechts situaties zonder WOZ-beschikking beoogde te regelen.
De uitspraak benadrukt dat de waardestijging door bouw pas tot uitdrukking komt in de WOZ-waarde van het volgende kalenderjaar, en dat dit ook geldt voor de fiscale waardering. De Hoge Raad wijst erop dat de huidige wettekst onvoldoende ruimte biedt voor toepassing van de vangnetbepaling in nieuwbouwsituaties met een WOZ-beschikking, en dat de wetgever dit explicieter had moeten regelen indien dit de bedoeling was.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de eigenwoningwaarde wordt bepaald op basis van de geldige WOZ-beschikking voor het tijdvak, ook indien dit een woning in aanbouw betreft.