ECLI:NL:PHR:2008:BB4366
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt heffingsbevoegdheid Nederland over ABP-overheidspensioen ondanks privatisering
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, ontving in 2002 een pensioen van Stichting ABP, voortkomend uit een dienstverband bij een publiekrechtelijke rechtspersoon. Hij claimde vrijstelling van Nederlandse belastingheffing op grond van artikel 12, lid 2, van het belastingverdrag Nederland-Duitsland, omdat Stichting ABP een privaatrechtelijke stichting is. De Inspecteur wees dit af, waarna belanghebbende beroep instelde bij het hof, dat zijn beroep ongegrond verklaarde.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 12, lid 2, van het Verdrag, dat het heffingsrecht over overheidspensioenen toewijst aan de staat die het pensioen betaalt of via een publiekrechtelijke instelling laat betalen. De Hoge Raad bevestigde dat "betalen" in dit artikel moet worden uitgelegd als "opgebouwd zijn bij" een overheid of publiekrechtelijke rechtspersoon, niet als het feitelijke uitbetalen. Stichting ABP is geen publiekrechtelijke instelling, maar het pensioen is opgebouwd bij een publiekrechtelijke rechtspersoon, waardoor het heffingsrecht bij Nederland blijft.
De Hoge Raad verwierp het argument van belanghebbende dat de letterlijke tekst van het verdrag en artikel 31 van Pro het Verdrag van Wenen een andere uitleg vereisen. Ook de privatisering van ABP per 1996 leidt niet tot verlies van het Nederlandse heffingsrecht. De uitspraak sluit aan bij eerdere jurisprudentie en internationale verdragsregels, waarbij het onderscheid tussen overheidspensioen en particulier pensioen centraal staat.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dan ook om het beroep van belanghebbende ongegrond te verklaren en het oordeel van het hof te bevestigen dat Nederland heffingsbevoegd is over het ABP-pensioen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Nederland heffingsbevoegd is over het ABP-pensioen ondanks privatisering van Stichting ABP.