ECLI:NL:PHR:2008:BA7674
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over conservatoir beslag op onroerende zaken bij schijnconstructies en toepassing art. 94a Sv
In deze zaak gaat het om het conservatoir beslag dat is gelegd op onroerende zaken die formeel op naam van de echtgenote van de veroordeelde staan, maar waarvan het hof aannam dat deze in feite toebehoren aan de veroordeelde. De echtgenote klaagde tegen het beslag en het hof verklaarde dit beklag ongegrond, waarbij het beslag werd gehandhaafd op grond van art. 94a lid 2 Sv, hoewel het beslag was gelegd op basis van lid 3.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat conservatoir beslag op registergoederen onder derden in beginsel niet mogelijk is en dat het derde lid van art. 94a Sv alleen van toepassing is indien sprake is van een schijnconstructie waarbij goederen aan een derde zijn overgedragen met het doel verhaal te frustreren. Het hof had echter zonder bevoegdheid de grondslag van het beslag gewijzigd van lid 3 naar lid 2, wat niet is toegestaan.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte niet heeft getoetst of aan de voorwaarden van lid 3 was voldaan en dat het beslag niet op juiste wijze is gelegde. Daarom wordt het besluit vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling, waarbij de juiste wettelijke criteria moeten worden toegepast.
De uitspraak bevat tevens een uitgebreide toelichting op de verhouding tussen de leden 2 en 3 van art. 94a Sv, de betekenis van schijnconstructies, en de beperkingen van derdenbeslag op onroerende zaken volgens art. 718 jo Pro. 475 Rv. Ook wordt ingegaan op de proportionaliteit en het toepassingsmoment van de wet.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het besluit van het hof en verwijst de zaak terug voor nieuwe behandeling met correcte toepassing van art. 94a lid 3 Sv.