ECLI:NL:PHR:2007:BB9665

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12225
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 RvArt. 17 lid 3 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging herstelbeschikking machtiging voortgezet verblijf wegens schending hoorplicht

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een herstelbeschikking van de rechtbank Rotterdam die de geldigheidsduur van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis verlengde van 18 januari 2008 naar 15 februari 2008. Betrokkene en haar advocaat waren niet gehoord over deze wijziging. De rechtbank had de verbetering toegepast als herstel van een kennelijke misslag.

De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank de hoorplicht uit art. 31 lid 1 Rv Pro heeft geschonden door betrokkene niet te horen voorafgaand aan de verbetering. Ook is de wijziging van de geldigheidsduur niet aan te merken als een eenvoudige herstelbare kennelijke fout. Hierdoor kan het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv Pro worden doorbroken.

De verbeterde beschikking wordt vernietigd en de Hoge Raad verleent zelf de machtiging tot voortgezet verblijf voor de oorspronkelijke termijn tot uiterlijk 18 januari 2008. De overige klachten behoeven geen bespreking meer. De uitspraak benadrukt het belang van het beginsel van hoor en wederhoor, ook bij herstelbeslissingen in Bopz-procedures.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de herstelbeschikking en verleent de machtiging tot voortgezet verblijf voor de oorspronkelijke termijn tot uiterlijk 18 januari 2008.

Conclusie

C07/12225HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 9 november 2007
Conclusie inzake:
[Verzoekster = betrokkene]
tegen
Officier van justitie te Rotterdam
Het cassatiemiddel in deze Bopz-zaak is gericht tegen een machtiging tot voortgezet verblijf, met betrekking tot de geldigheidsduur waarvan een zgn. herstelbeslissing is genomen.
De feiten en het procesverloop
1.1. De officier van justitie in het arrondissement Rotterdam heeft op 2 juli 2007 aan de rechtbank aldaar verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene). Betrokkene verbleef op dat moment in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een op 15 augustus 2006 door de rechtbank verleende machtiging tot voortgezet verblijf met een geldigheidsduur tot 15 augustus 2007.
1.2. Na betrokkene en haar advocaat, de behandelende arts en een verpleegkundige op 18 juli 2007 te hebben gehoord, heeft de rechtbank bij beschikking van diezelfde datum een machtiging tot voortgezet verblijf verleend met een geldigheidsduur tot uiterlijk 18 januari 2008. De rechtbank overwoog, voor zover thans van belang(1):
"De rechterlijke machtiging zal voor de termijn van 6 maanden worden verleend omdat het evident is dat betrokkene bescherming nodig heeft. Het is echter ook evident dat betrokkene niet op de goede plek zit. Gedurende deze 6 maanden kan de instelling samen met betrokkene en belanghebbenden inventariseren wat voor betrokkene wel een goede setting is. Hierbij kan worden gedacht aan een instelling voor verstandelijk gehandicapten."
1.3. Naar achteraf is gebleken, heeft de Bopz-arts van het ziekenhuis zich bij faxbericht van 20 augustus 2007 tot de rechtbank gewend met het volgende:
"Het heeft me verbaasd dat de beschikking van 6 maanden voortgezet verblijf ingaat op het moment van de nieuwe beschikking en niet in aansluiting op de vorige machtiging, zie bijlage (15 augustus). Mevrouw is nu eerder door u bezocht vanwege de vakantieperiode. Dit zou ons op deze manier een maand korter de tijd geven.
Gaarne overleg hierover (...)."
1.4. De rechtbank heeft vervolgens een ongedateerde - blijkens een stempelafdruk op 27 september 2007 door de griffier in afschrift uitgegeven - beschikking gegeven, waarin de rechtbank dit faxbericht heeft opgevat als een verzoek tot verbetering van de beschikking van 18 juli 2007 "omdat in de beschikking een onjuiste expiratiedatum is vermeld". De rechtbank heeft overwogen "dat het gaat om een kennelijke misslag in de beschikking, die zich voor eenvoudig herstel leent". Zij heeft het dictum van de beschikking van 18 juli 2007 verbeterd in die zin dat de woorden "tot uiterlijk 18 januari 2008" in het dictum worden gelezen als: "tot uiterlijk 15 februari 2008".
1.5. Namens betrokkene is op 10 oktober 2007 cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1. Het cassatieberoep is tijdig ingesteld.
2.2. Volgens het cassatierekest (blz. 1) is het cassatieberoep gericht tegen de op 18 juli 2007 gegeven beschikking, waarbij een machtiging tot voortgezet verblijf is verleend tot uiterlijk 18 januari 2008 en/althans tegen die beschikking zoals deze later (het stuk is voor fotokopie conform gestempeld op 27 september 2007) in die zin is verbeterd dat de machtiging tot voortgezet verblijf wordt verleend tot 15 februari 2008, in plaats van tot 18 januari 2008. Inhoudelijk zijn de middelonderdelen 1 en 2 evenwel gericht tegen de beslissing tot verbetering zelf.
2.3. Onderdeel 1 klaagt dat de rechtbank in strijd met art. 31 lid 1 Rv Pro is overgegaan tot verbetering van de beschikking van 18 juli 2007 zonder betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten. Onderdeel 2 klaagt dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv Pro is getreden door de geldigheidsduur van de beschikking te veranderen van 18 januari 2008 in 15 februari 2008, als ware dit de verbetering van een rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout. Volgens het middelonderdeel kan de verandering van de geldigheidsduur niet worden aangemerkt als een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, als bedoeld in art. 31 Rv Pro.
2.4. Deze twee onderdelen zijn niet gericht tegen de oorspronkelijke beschikking(2), maar tegen de verbetering als zodanig. Art. 31, vierde lid, Rv houdt in dat geen voorziening openstaat tegen de beslissing tot verbetering van een vonnis of beschikking. Vaste rechtspraak is evenwel, dat een rechtsmiddelverbod kan worden doorbroken indien de rechter de desbetreffende regel ten onrechte niet heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied van die regel is getreden dan wel zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet langer kan worden gesproken. In de parlementaire geschiedenis van art. 31 Rv Pro is de mogelijkheid tot doorbreking van het in art. 31 neergelegde Pro rechtsmiddelverbod op deze gronden uitdrukkelijk onderkend(3).
2.5. Onderdeel 1 komt neer op de klacht dat de rechtbank, door betrokkene niet te horen, bij het nemen van de ongedateerde beslissing tot verbetering zodanige essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Onderdeel 2 komt neer op de klacht dat de rechtbank met de beslissing tot verbetering buiten het toepassingsgebied van art. 31 lid 1 Rv Pro is getreden. Daarmee is sprake van klachten waarmee het rechtsmiddelverbod kan worden doorbroken. Mitsdien is betrokkene ontvankelijk in haar cassatieberoep voor zover gericht tegen de beslissing tot verbetering.
2.6. Onderdeel 3 is gericht tegen de beschikking van 18 juli 2007 zoals deze is komen te luiden na de (ongedateerde) beschikking tot verbetering. Ten aanzien van dit middelonderdeel behoeft de ontvankelijkheid geen bespreking.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1. Onderdeel 1, hiervoor al besproken, is mijns inziens gegrond. Uit de verbeterde beschikking, de beschikking tot verbetering zelf, noch elders uit de gedingstukken blijkt dat betrokkene is gehoord vóórdat de verbetering werd aangebracht. Het tweede lid van art. 31 Rv Pro schrijft bovendien voor dat op de minuut van de verbeterde beschikking melding wordt gemaakt van de naleving van de laatste volzin van het eerste lid van art. 31 Rv Pro. Dat is niet gebeurd. Het horen kan plaatsvinden op een informele wijze; niet nodig is dat opnieuw een zitting wordt gehouden(4). De beslissing tot verbetering had betrekking op een wezenlijk onderdeel van de beschikking, te weten de geldigheidsduur van de machtiging, zodat betrokkene voldoende belang erbij had tevoren te worden gehoord. De aldus verbeterde beschikking kan om deze reden niet in stand blijven. De regel in de laatste volzin van het eerste lid van art. 31 Rv Pro vloeit voort uit het beginsel van hoor en wederhoor, welk beginsel ook in machtigingsprocedures op grond van de Wet Bopz geldt(5).
3.2. Onderdeel 2, hiervoor al genoemd, is eveneens gegrond. In de parlementaire geschiedenis is als criterium voor de mogelijkheid van een herstelvonnis of herstelbeschikking genoemd: of voor partijen en derden direct duidelijk is, dat van een vergissing sprake is(6). Aan deze maatstaf is niet voldaan. In de tekst van de beschikking van 18 juli 2007, zoals deze oorspronkelijk luidde, valt voor de lezer niet de door de rechtbank bedoelde vergissing te onderkennen.
3.3. Uit het voorgaande volgt dat de verbeterde beschikking van 18 juli 2007 niet langer in stand kan blijven. Nu het cassatieberoep uitsluitend betrekking heeft op de geldigheidsduur, en geen bezwaar is gemaakt tegen de machtiging voor wat betreft het tijdvak tot 18 januari 2008, kan de Hoge Raad m.i. de zaak zelf afdoen door alsnog een machtiging te verlenen voor dat tijdvak.
3.4. Onderdeel 3 behoeft om deze reden geen bespreking meer. Dit onderdeel gaat immers uit van de situatie waarin de herstelbeslissing in stand blijft. Ten overvloede volgt een korte bespreking. Onderdeel 3 klaagt dat de beschikking van 18 juli 2007, zoals deze na de verbetering is komen te luiden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de datum waarop de beschikking in werking treedt, althans onbegrijpelijk is nu de rechtbank in de - gehandhaafde - overwegingen een machtiging voor de duur van zes maanden geïndiceerd acht en in het - gewijzigde - dictum een machtiging verleent voor de duur van bijna zeven maanden, gerekend vanaf de datum van de beschikking.
3.5. Een machtiging tot voortgezet verblijf kan in een geval als dit worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar na haar dagtekening (zie art. 17 lid 3 Wet Pro Bopz). De oorspronkelijke beschikking van 18 juli 2007 overschreed dit maximum niet. De rechtsklacht mist feitelijke grondslag, omdat uit de beschikking niet anders blijkt dan dat de machtiging ingaat op de dag waarop de beschikking is gegeven. De subsidiaire motiveringsklacht is echter gegrond. Toen de machtiging werd verleend voor de periode tot 18 januari 2008 was het dictum in overeenstemming met de hiervoor onder 1.2 aangehaalde overweging. Toen de geldigheidsduur werd veranderd klopte het dictum niet meer met de daaraan voorafgaande overweging.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernieting van de beschikking van 18 juli 2007, zoals verbeterd in de ongedateerde beslissing van de rechtbank, en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad, in die zin dat de Hoge Raad de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis zal verlenen voor de periode tot uiterlijk 18 januari 2008.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 De materiële gronden voor de rechterlijke machtiging blijven in deze conclusie onbesproken. Het cassatieberoep heeft uitsluitend betrekking op de geldigheidsduur van de machtiging.
2 De beslissing van de rechtbank tot verbetering heeft tot gevolg dat de uitspraak rechtens nog slechts in de verbeterde vorm bestaat; vgl. Th.B. ten Kate en M.M. Korsten-Krijnen, Herroeping, verbetering en aanvulling van burgerrechtelijke uitspraken (art. 382-393, 31 en 32 Rv), 2005, blz. 187. Zo de Hoge Raad het cassatieberoep lezen als gericht tegen de beschikking zoals deze vóór de verbetering luidde, dan zou dit beroep niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat die beschikking niet langer bestaat.
3 MvT, Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht, 2002, blz. 176, onder verwijzing naar HR 15 mei 1998, NJ 1999, 672 m.nt. HJS. Zie nadien nog: HR 3 januari 2003, NJ 2003, 659; HR 14 juli 2006, NJ 2006, 601.
4 MvT, Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht, 2002, blz. 174 en 176; I.P.M. van den Nieuwendijk, Verbetering van rechterlijke uitspraken (art. 31 Rv Pro), JBPr 2004, blz. 116-117.
5 Dit laatste geldt als vaste rechtspraak, zie onder meer: HR 12 mei 2006, NJ 2007, 44 m.nt. J. Legemaate (BJ 2006, 35 m.nt. E. Schaafsma-Beversluis); HR 4 mei 2007, NJ 2007, 272 (BJ 2007, 18 m.nt. red.).
6 MvT, Van Mierlo/Bart, Parl. Gesch. Burgerlijk procesrecht, 2002, blz. 175.