1. Zie voor de feiten het vonnis d.d. 26 juli 2001 van de rechtbank Rotterdam, onder 2.
2. De rapporten van beide neurologen zijn in eerste aanleg bij conclusie van eis in het geding gebracht.
3. Het rapport d.d. 19 april 1999 met de berekening van de schade is in eerste aanleg als productie 5 bij de conclusie van eis in het geding gebracht.
4. Als niet of niet voldoende bestreden kan het er voor worden gehouden, dat [verweerster] vanwege haar gezondheidssituatie als wijkverpleegkundige inderdaad niet meer dan 24 uren per week werkzaam kan zijn en dat de schade, voor zover deze betrekking heeft op het verlies van verdiencapaciteit als verpleegkundige, gekapitaliseerd te stellen is op het genoemde bedrag. Zie in dit verband het tussenarrest d.d. 13 mei 2003 van het hof 's-Gravenhage, rov. 9, respectievelijk rov. 14.
5. Zie productie 1 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg.
6. Zie in dit verband: HR 28 maart 2003, NJ 2003, 389; HR 24 september 2004, NJ 2006, 201, m.nt. HJS; HR 8 april 2005, NJ 2005, 371. Verder: Asser-Hartkkamp, 4-I, 2004, nrs. 409 en 409a en losbladige Kluwerbundel Schadevergoeding, (Lindenbergh), art. 95, aant. 5 en 5.1.
7. Zie over het onderwerp van eigen schuld aan de omvang van de schade A.L.M. Keirse, Schadebeperkingsplicht, 2003, serie Recht en praktijk, nr. 127.
8. A.R. Bloembergen gaf al in zijn dissertatie Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, 1965, blz. 408 en 409, als zijn mening dat men geen hoge eisen aan het slachtoffer ter zake van de beperking van de schade mag stellen. Meer recente beschouwingen of opmerkingen, waarop het in 2.6.1 gestelde is gebaseerd, treft men onder meer aan bij: A.L.M. Keirse, t.a.p., blz. 168 e.v.; T. Hartlief, Keuzevrijheid in het personenschaderecht, NJB 2004, blz. 1832 e.v., in het bijzonder de §§ 7, 11 en 15; T. Hartlief, Prognoses in het personenschaderecht, AV&S 2005, 27, met name blz. 166 e.v.; S.D. Lindenbergh, Schadevergoeding, een kwestie van techniek en moraal, in: Schade: vergoeden of beperken?, Sdu 2004, blz. 14; C.H. van Dijk, Sociale zekerheid en civiele aansprakelijkheid - een paar apart, in: Schade: vergoeden of beperken?, Sdu 2004, blz. 43-49; D.M. Gouweloos en H. Lebbing, TVP 2005, annotatie, blz. 106 en 107; N. Frenk, Naar echte eigen schuld? Over toerekening aan de benadeelde in het aansprakelijkheids- en verzekeringsrecht, AV&S 2006, 7, met name blz. 43 en 44. Zie voorts M.C.J. Peters, losbladig Handboek Personenschade, Verlies van arbeidsvermogen (3000/3030), § 1.7 Schadebeperking (3030-34); losbladige Kluwerbundel Schadevergoeding, (Boonekamp), art. 101, aant. 39 e.v. en aant. 50.3; losbladige Kluwerbundel Schadevergoeding, (Bolt), art. 107, aant. 18.
9. In de (lagere) rechtspraak, waarnaar onder meer in de in noot 8 vermelde literatuur wordt verwezen, vindt men het in 2.6.1 gestelde ook weerspiegeld, zij het dat de ene rechter de benadeelde eerder gehouden lijkt te achten tot het aanvaarden van andere werkzaamheden dan de andere. Vanwege het casuïstisch karakter van de uitspraken moet men echter voorzichtig zijn om op dit punt conclusies te trekken. Aparte vermelding verdient HR 21 februari 1997, NJ 1999, 145, m.nt. CJHB (Wrongful birth I). In verband met de vordering tot vergoeding van inkomstenderving van een vrouw, die door een medische fout zwanger was geworden en besloten had enige tijd niet te werken om het kind zelf op te voeden, oordeelt de Hoge Raad in rov. 3.13.2 dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft door tot uitgangspunt te nemen dat de keuze van de vrouw om zelf voor het kind te zorgen voor haar rekening komt. De Hoge Raad overweegt: "Ter beantwoording van de vraag of de vrouw aanspraak kan maken op vergoeding van inkomensderving als gevolg van haar zwangerschap en de geboorte van het kind zal moeten worden beoordeeld of haar keuze om tijdelijk niet te werken in de gegeven omstandigheden als redelijk kan worden beschouwd. Daarbij zal enerzijds gewicht moeten worden toegekend aan de vrijheid van de vrouw om haar leven met het oog op het belang van het kind zodanig in te richten als haar met het oog daarop goeddunkt, terwijl anderzijds in het oog moet worden gehouden dat de vrouw haar schade voor zover haar dat mogelijk is en redelijkerwijze van haar kan worden gevergd, dient te beperken (vgl bij dit alles HR 12 januari 1996, NJ 1996, 335)."
10. Voor zover in de schriftelijke toelichting op nog andere gestelde feiten en omstandigheden een beroep wordt gedaan, dient daaraan te worden voorbijgegaan als niet tijdig in cassatie ter sprake gebracht.
11. Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Invoering 3, 5 en 6), blz. 1034.