ECLI:NL:PHR:2007:BB7192

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11447
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Haags BetekeningsverdragArt. 55 RvArt. 63 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verstekverlening in kort geding tegen buitenlandse curator ondanks ontbreken formele betekening volgens Haags Betekeningsverdrag

Eisers tot cassatie, Yukos c.s., stelden beroep in cassatie in tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam in een kort gedingprocedure tegen de curator van een Russische failliete rechtspersoon. De curator werd gedagvaard via betekening aan zijn Nederlandse procureur en het Parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, maar niet rechtstreeks volgens de formele vereisten van het Haags Betekeningsverdrag.

De curator verscheen niet ter zitting van de Hoge Raad, waarna eisers verstekverlening verzochten. De Hoge Raad constateerde dat geen bewijs was geleverd van formele betekening conform het verdrag, waardoor volgens art. 15 lid 1 van Pro het verdrag de beslissing op het verstekverzoek moest worden aangehouden totdat dit was vastgesteld.

Echter, art. 15 lid 3 van Pro het verdrag maakt een uitzondering voor spoedeisende gevallen, waaronder kort gedingen, waarbij voorlopige maatregelen kunnen worden getroffen zonder formele betekening. De Hoge Raad oordeelde dat de betekening aan de Nederlandse procureur, ruim twee maanden voor de zitting, voldoende was om aan te nemen dat de curator tijdig kennis had kunnen nemen van de dagvaarding.

Daarom werd toepassing gegeven aan de uitzondering van art. 15 lid 3 en Pro verstek verleend. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van het Haags Betekeningsverdrag in kort gedingprocedures tegen buitenlandse partijen zonder bekende verblijfplaats in Nederland.

Uitkomst: De Hoge Raad verleent verstek tegen de buitenlandse curator op grond van de uitzondering voor spoedeisende gevallen in het Haags Betekeningsverdrag.

Conclusie

Rolnr. 07/11447
Mr L. Strikwerda
Zt. 26 okt. 2007 conclusie op verstek inzake
1. Yukos Finance B.V.
2. [Eiser 2]
3. [Eiser 3]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1. Eisers tot cassatie, hierna: Yukos c.s., hebben bij exploot van 11 juli 2007 verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], aangezegd dat zij beroep in cassatie instellen tegen het tussen Yukos c.s. als appellanten en [verweerder] als geïntimeerde op 24 mei 2007 door het gerechtshof te Amsterdam in kort geding in hoger beroep gewezen arrest en [verweerder] gedagvaard om op vrijdag 14 september 2007 te verschijnen ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad.
2. [Verweerder] is gedagvaard in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de rechtspersoon naar het recht van de Russische Federatie OAO Yukos Oil Company en voor dat doel kantoorhoudende aan de [a-straat 1] te [plaats], Russische Federatie, zonder bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in Nederland.
3. De betekening van de cassatiedagvaarding heeft plaatsgevonden op de voet van art. 63 Rv Pro aan het kantoor van mr. P.N. van Regteren Altena, de procureur bij wie [verweerder] laatstelijk te dezer zake woonplaats heeft gekozen, alsmede op de voet van art. 55 Rv Pro aan het Parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, met verzoek het exploot en de daarbij behorende Russische vertaling te doen betekenen overeenkomstig de artt. 3 t/m 6 van het Haags Betekeningsverdrag (Verdrag van 15 november 1965, Trb. 1969, 55, hierna: het verdrag) door eenvoudige afgifte of, zo dit niet mogelijk is, door betekening of kennisgeving met inachtneming van de daarvoor voorgeschreven vormen in de wetgeving van de Russische Federatie, en met mededeling dat voorts een afschrift van de dagvaarding onverwijld door de exploiterende deurwaarder per aangetekende post aan [verweerder] op diens hiervoor genoemde adres is of wordt toegezonden en dat de advocaat van Yukos c.s. een exemplaar van de dagvaarding, voorzien van de Russische vertaling daarvan, rechtstreeks per aangetekende post alsmede per DHL koerierservice met bericht van ontvangst aan [verweerder] op diens hiervoor genoemde adres zal verzenden.
4. Ter terechtzitting van de Hoge Raad van 14 september 2007 is [verweerder] niet verschenen. Yukos c.s. hebben verzocht tegen [verweerder] verstek te verlenen.
5. Van de centrale autoriteit van de Russische Federatie (of van de daarvoor door die staat aangewezen autoriteit) is niet een verklaring als bedoeld in art. 6 van Pro het verdrag ontvangen en ook anderszins is niet gebleken dat eenvoudige afgifte, kennisgeving of betekening van het exploot van dagvaarding aan [verweerder] overeenkomstig het verdrag heeft plaatsgevonden.
6. Bij deze stand van zaken schrijft art. 15 lid 1 van Pro het verdrag voor dat de Hoge Raad, nu [verweerder] niet is verschenen, zijn beslissing op het verzoek tot verstekverlening tegen [verweerder] aanhoudt totdat is gebleken - kort gezegd - van betekening, kennisgeving of afgifte van het exploot van dagvaarding aan [verweerder] overeenkomstig het verdrag, terwijl voorts moet zijn gebleken dat die betekening, kennisgeving of afgifte zo tijdig is geschied dat [verweerder] gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.
7. Op het voorschrift van art. 15 lid 1 staat Pro art. 15 lid 3 evenwel Pro een uitzondering toe: "Het bepaalde in dit artikel belet niet dat door de rechter in spoedeisende gevallen voorlopige of conservatoire maatregelen kunnen worden getroffen". Blijkens de MvT op de Goedkeuringswet (Rijkswet van 8 januari 1975, Stb. 4), Kamerstukken II 1973/74, 12 865 (R 948), nr. 3, blz. 8, valt hier o.a. te denken aan het kort geding. Zie ook E.M. Wesseling-van Gent, Rechtsingang en rechtshulp, Praktijkreeks IPR, deel 20, 1994, nr. 70, X.E. Kramer, Het kort geding in internationaal perspectief, diss. 2001, blz. 177/178, en Kluwers Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., Verdragen & Verordeningen, Betekeningsverdrag, Art. 15, aant. 5 (P. Vlas) telkens met rechtspraakgegevens.
8. De onderhavige procedure betreft een kort geding. Kramer wijst er t.a.p. terecht op dat de bepaling van art. 15 lid 3 van Pro het verdrag niet zonder meer meebrengt dat in een kort gedingprocedure de vereisten van het eerste lid van art. 15 niet Pro van toepassing zijn. De bepaling heeft een veroorlovend, niet een verplichtend karakter. Ook in een kort gedingprocedure moet het derhalve, gezien ook de uit de preambule van het verdrag blijkende doelstelling van het verdrag, van belang worden geacht dat de dagvaarding de verweerder daadwerkelijk en ook tijdig heeft bereikt, zodat de uitzonderingsbepaling van art. 15 lid 3 in Pro beginsel slechts door de rechter wordt toegepast, indien is gebleken van omstandigheden op grond waarvan met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat, niettegenstaande dat geen bewijs van kennisgeving overeenkomstig het verdrag is verkregen, de verweerder daadwerkelijk en ook tijdig kennis heeft kunnen nemen van de dagvaarding. Zie bijv. Pres. Rb Zwolle 11 mei 1983, NIPR 1983, 360, en Pres. Rb 's-Gravenhage 16 juli 1992, NJ 1993, 76 nt. JCS. Anders Pres. Rb Assen 27 juli 1994, NIPR 1994, 371.
9. In het onderhavige geval heeft betekening van de cassatiedagvaarding plaatsgevonden niet alleen op de voet van art. 55 Rv Pro aan het Parket van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, maar ook op de voet van art. 63 Rv Pro aan het kantoor van mr. P.N. van Regteren Altena, de procureur bij wie [verweerder] laatstelijk te dezer zake woonplaats heeft gekozen. Naar mijn mening is het feit dat laatstbedoelde betekening heeft plaatsgevonden op zichzelf reeds voldoende om in dit geval toepassing van de uitzonderingsbepaling van art. 15 lid 3 te Pro kunnen rechtvaardigen. Deze betekening, die plaatsvond op 11 juli 2007, derhalve ruim twee maanden voor de eerst dienende dag (14 september 2007), biedt immers, gelet ook op de verplichting die ingevolge de tweede volzin van art. 63 lid 1 Rv Pro op de betrokken procureur rust, voldoende grond om met een redelijke mate van zekerheid te kunnen aannemen dat [verweerder] daadwerkelijk en ook tijdig kennis heeft kunnen nemen van de dagvaarding. Met toepassing van art. 15 lid 3 van Pro het verdrag kan derhalve tegen [verweerder] verstek worden verleend.
De conclusie strekt tot verlening van het gevraagde verstek.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden