ECLI:NL:PHR:2007:BB6375

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00608/07
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijsgebruik verklaring ondanks proces-verbaal afwijking en straftijdvermindering wegens termijnoverschrijding

In deze zaak werd verzoeker veroordeeld voor poging tot moord na een incident op 23 december 2004 waarbij hij een ex-vriendin meerdere malen met een mes stak. De verdediging stelde dat een verklaring van verzoeker die als bewijsmiddel werd gebruikt niet in het proces-verbaal van de terechtzitting was opgenomen, waardoor deze verklaring niet als bewijs mocht dienen. De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat het ontbreken van de verklaring in het proces-verbaal niet automatisch betekent dat deze niet als bewijs kan worden gebruikt, zeker niet als de verklaring inhoudelijk overeenkomt met wat verzoeker ter terechtzitting heeft verklaard.

De Hoge Raad benadrukte dat de rechtbank in eerste aanleg bevoegd was om de verklaring als bewijsmiddel te gebruiken, ook al was deze niet volledig in het proces-verbaal opgenomen, omdat de zitting plaatsvond vóór het arrest HR NJ 2006, 219. Bovendien was de verklaring niet strijdig met het proces-verbaal en werd de verklaring ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals bloedsporen op een jas van verzoeker en getuigenverklaringen.

Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de behandeling van het cassatieberoep de redelijke termijn had overschreden, omdat de stukken bijna tien maanden later dan gebruikelijk bij de Hoge Raad waren ingediend. Dit leidde tot een strafvermindering. De Hoge Raad wees het beroep voor het overige af en handhaafde de veroordeling, waarbij de belangen van het slachtoffer werden meegewogen.

Uitkomst: De veroordeling tot tien jaar gevangenisstraf wordt bevestigd met strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Griffienr. 00608/07
Mr Wortel
Zitting:2 oktober 2007 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "poging tot moord" is veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met bijkomende beslissingen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.
Voorts heeft het Hof de vordering van een benadeelde partij toegewezen, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partij en tot hetzelfde bedrag, een betalingsverplichting jegens de Staat opgelegd, met bepaling van vervangende hechtenis en met bepaling dat elk van de opgelegde betalingsverplichtingen zal komen te vervallen indien en voor zover verzoeker aan de andere, jegens of ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde, betalingsverplichting zal hebben voldaan.
2. Namens verzoeker hebben mrs G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed, aangezien als bewijsmiddel een ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van verzoeker is opgenomen terwijl uit het proces-verbaal van de desbetreffende zitting niet blijkt dat verzoeker die verklaring heeft afgelegd.
4. Er wordt een beroep gedaan op HR NJ 2006, 219, waarin de Hoge Raad is "omgegaan" en heeft beslist dat het proces-verbaal van de terechtzitting niet alleen voor wat betreft de naleving van ter zitting in acht te nemen vormen de exclusieve, dwingende kenbron is, maar ook ten aanzien van de inhoud van de ter zitting afgelegde verklaringen. Dientengevolge heeft de rechter, anders dan voorheen werd aangenomen, geen vrijheid om in (de aanvulling op) zijn vonnis een ter zitting afgelegde verklaring als bewijsmiddel op te nemen die in het proces-verbaal van de terechtzitting niet is terug te vinden.
5. De verhouding tussen de weergave van een verklaring als bewijsmiddel in de einduitspraak en in het proces-verbaal van de terechtzitting alwaar die verklaring is afgelegd krijgt inhoudelijk natuurlijk pas gewicht indien de vraag rijst of het bewijsmiddel de verklaring - althans het onderdeel ervan dat de rechter voor het bewijs redengevend heeft geacht - wel juist weergeeft wat de getuige of verdachte ter terechtzitting heeft bedoeld te verklaren.
Dan is dus het zogenaamde "denatureren" van een verklaring aan de orde. Bij een verschil in weergave moet sinds HR NJ 2006, 219 worden aangenomen dat de als bewijsmiddel weergegeven verklaring die strijdig is met de weergave in het zittingsproces-verbaal, niet correct is aangehaald of samengevat.
6. In dit geval doet zich een andere situatie voor. Vooropgesteld zij dat deze zaak in eerste aanleg werd behandeld ter zitting van 7 oktober 2005, derhalve nog vóórdat het als HR NJ 2006, 219 gepubliceerde arrest werd uitgesproken.
De Rechtbank kon er dus vanuit gaan dat zij bevoegd was een ter zitting afgelegde verklaring - in die vorm - als bewijsmiddel in haar vonnis op te nemen, ook zonder dat de inhoud of in elk geval de essentie van de betreffende verklaring ook in het proces-verbaal van de terechtzitting was vastgelegd. De Rechtbank heeft gebruik gemaakt van de ruimte die de door HR NJ 2006, 219 opzij gezette jurisprudentie liet. In het proces-verbaal van haar op 7 oktober 2005 gehouden terechtzitting is te vinden:
"Verdachte, ter terechtzitting ondervraagd, verklaart - zakelijk weergegeven - hetgeen als zijn verklaring is opgenomen in de aanvulling strafvonnis en daarnaast (...)"
7. Voorts is hier - anders dan in het slot van de toelichting op het middel wordt gesuggereerd - in het geheel niet aan de orde dat verzoekers verklaring zoals die als bewijsmiddel is weergegeven niet strookt of zelfs onverenigbaar is met hetgeen in het proces-verbaal van de desbetreffende terechtzitting als zijn verklaring is weergegeven.
Integendeel. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is verzoeker ter terechtzitting van de Rechtbank geconfronteerd met de bloedsporen op zijn zwarte jas, maar dat ontlokte hem geen andere reactie dan de opmerking dat hij de bewuste avond niet in de buurt is geweest en dat hij niets van DNA weet. Verzoeker heeft bij die gelegenheid dus niet ontkend dat hij de zwarte jas heeft gedragen, ofschoon hem werd voorgehouden dat dit een voor hem uitermate belastend gegeven vormde. Pas in hoger beroep is verzoeker gaan beweren dat hij de bewuste avond een andere jas heeft gedragen.
8. Het Hof had uiteraard gevolg kunnen geven aan het inmiddels gepubliceerde HR NJ 2006, 219.
Ik stel daar tegenover dat vernietiging, zeker bij een zaak als de onderhavige, waarin rekening moet worden gehouden met de belangen van een slachtoffer dat de gebeurtenis ternauwernood heeft overleefd, en dat, na al eerder door verzoeker lastig gevallen te zijn, momenten van onbeschrijfelijke angst moet hebben doorgemaakt, behoort te worden vermeden indien daar geen tastbaar en te respecteren belang van de veroordeelde mee gediend is.
9. Feitelijk en in de kern beschouwd gaat het er blijkens de stukken om dat verzoeker is veroordeeld omdat hij in de avond van 23 december 2004 een ex-vriendin heeft opgezocht en in haar woning vele malen met een mes heeft gestoken. Verzoeker heeft, als ik het goed begrijp na nogal wat gedraai en omtrekkende bewegingen, uiteindelijk toegegeven dat hij zich door de vrouw met wie hij op dat moment omging naar de bewuste flat heeft laten rijden. Hij heeft evenwel volgehouden dat hij in de auto is blijven zitten, en ontkend in de bewuste flatwoning te zijn geweest.
10. Blijkens de stukken is echter vastgesteld dat op een zwarte jas van verzoeker bloedsporen zijn gevonden waarin DNA is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer (terwijl de kans dat een willekeurige andere persoon datzelfde DNA-profiel heeft kleiner is dan één op een miljard).
Daarnaast is in de bewijsconstructie dan nog van belang (maar natuurlijk ondergeschikt aan de bloedsporen op de jas) dat verzoeker een bepaald petje droeg.
11. De in dit middel bedoelde verklaring van verzoeker betreft deze beide omstandigheden, maar die zijn ook in andere bewijsmiddelen te vinden.
Blijkens bewijsmiddel 1 heeft verzoeker ook in hoger beroep verklaard dat hij het mutsje (met een bepaalde opdruk) altijd droeg. Blijkens bewijsmiddel 4 heeft het slachtoffer gezien dat verzoeker de bewuste avond het petje en de zwarte jas droeg. Ook de vrouw die hem die avond vergezelde heeft verklaard dat verzoeker die zwarte jas droeg (bewijsmiddel 6).
12. Nu 's Hofs feitelijke vaststelling dat verzoeker het hoofddeksel en de zwarte jas, waarop DNA is aangetroffen dat overeenstemt met het DNA van het slachtoffer, bij het begaan van het bewezenverklaarde feit heeft gedragen zonder meer uit andere bewijsmiddelen valt af te leiden, terwijl zich niet het geval voordoet waarin diens tot bewijs gebruikte verklaring een andere strekking heeft dan hetgeen verzoeker bij die gelegenheid kennelijk naar voren wilde brengen, heeft verzoeker geen rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak omdat het Hof de in HR NJ 2006, 219 uiteengezette wijziging van inzicht heeft miskend. In deze zaak acht ik scherpere bewoordingen passend: vernietiging op de in dit middel aangevoerde grond zou neerkomen op zinledig vasthouden aan een wenselijk geachte vorm, en door het slachtoffer ervaren kunnen worden als een vernederende minachting voor haar belangen.
Het middel mag naar mijn overtuiging geen doel treffen.
13. Het tweede middel klaagt over overschrijding van de in art. 6, eerste lid, EVRM bedoelde redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep, veroorzaakt door vertraagde inzending van de stukken van het geding naar de Hoge Raad.
Aangezien het cassatieberoep is ingesteld op 2 mei 2006, terwijl de stukken bij de Hoge Raad zijn ontvangen op 1 maart 2007, derhalve nagenoeg tien maanden later, is het middel terecht voorgesteld. Dit zal, mede in aanmerking genomen dat verzoeker zich in verband met deze zaak in voorarrest bevindt, tot strafvermindering moeten voeren.
Niettemin wordt, teneinde de gevolgen van de opgetreden vertraging nog zoveel mogelijk weg te nemen, deze conclusie bij vervroeging genomen.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, vermindering van die straf in verband met het overschrijden van de redelijke termijn bij de behandeling van dit cassatieberoep, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,