ECLI:NL:PHR:2007:BB5084
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onontvankelijkheid betwisting juridische afstamming door derden
Deze zaak betreft een betwisting van de juridische afstamming van een zoon die binnen 300 dagen na de ontbinding van het huwelijk van zijn moeder met haar eerste echtgenoot is geboren. De dochter had bij de rechtbank en het hof verzocht om de afstamming van de zoon van de eerste echtgenoot te betwisten en te erkennen dat de tweede echtgenoot de biologische vader is. De rechtbank wees het verzoek af omdat de geboorteakte juist was en de juridische afstamming niet betwist kan worden door derden.
Het hof vernietigde de afwijzing en verklaarde de betwisting gegrond, maar bekrachtigde het oordeel dat de zoon juridisch gezien de zoon van de eerste echtgenoot blijft. De Hoge Raad stelde vast dat de dochter geen partij was in een eerdere soortgelijke procedure van haar broer en dat beslissingen in rekestprocedures slechts bindend zijn tussen dezelfde partijen. De Hoge Raad bevestigde dat alleen de vader, moeder en het kind zelf bevoegd zijn om het vaderschap te ontkennen, en dat derden zoals de dochter niet-ontvankelijk zijn in een dergelijk verzoek.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank dat het verzoek van de dochter afwees. De uitspraak benadrukt de bescherming van de rust in het gezin en de juridische grenzen aan het betwisten van afstamming door derden.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de dochter niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot betwisting van de juridische afstamming van haar broer.