ECLI:NL:PHR:2007:BB5074
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vrijheidsbeneming van tbs-gestelde door langdurig verblijf in huis van bewaring wegens capaciteitsgebrek
De zaak betreft de onrechtmatigheid van het verblijf van een tbs-gestelde in een huis van bewaring in afwachting van plaatsing in een tbs-kliniek vanwege capaciteitsgebrek. De tbs-gestelde verbleef ruim zestien maanden als passant, waarvan een groot deel in een huis van bewaring, met slechts een korte periode in een selectie-instituut. Hij vorderde schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming na overschrijding van een wachttijd van negentig dagen.
De rechtbank oordeelde dat de passantentermijn onrechtmatig was na twaalf maanden en kende een schadevergoeding toe. Het hof stelde de termijn op vier maanden en oordeelde dat een wachttijd langer dan vier maanden onrechtmatig is, mede gelet op jurisprudentie van het EHRM dat een wachttijd van zes maanden onacceptabel is. De Staat stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat de wettelijke basis voor verblijf in een huis van bewaring gedurende de passantentermijn niet onbeperkt rechtmatig is. De maximale aanvaardbare termijn is zes maanden, tenzij bijzondere omstandigheden zoals een incidentele en omvangrijke frictie tussen beschikbare en benodigde capaciteit dit rechtvaardigen. Capaciteitsproblemen worden niet als zodanig erkend. Het EHRM heeft eveneens geoordeeld dat een wachttijd van zes maanden onacceptabel is. De Hoge Raad verwerpt de cassatie en bevestigt het oordeel van het hof dat overschrijding van de termijn onrechtmatig is en dat de Staat aansprakelijk is voor schadevergoeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat een verblijf van een tbs-gestelde langer dan zes maanden in een huis van bewaring onrechtmatig is en wijst het cassatieberoep van de Staat af.