ECLI:NL:PHR:2007:BB4757
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Behoedzaam gebruik rechterlijke bevoegdheid bij wijziging alimentatie met terugwerkende kracht
De zaak betreft een verzoek van de man om de partneralimentatie aan de vrouw te verlagen met ingang van een datum vóór de rechterlijke uitspraak. De rechtbank wees het verzoek af, maar het hof wijzigde de alimentatie met terugwerkende kracht en stelde lagere bedragen vast vanaf 1 januari 2005.
De vrouw stelde cassatie in tegen de terugwerkende verlaging, stellende dat het hof onvoldoende had gemotiveerd in hoeverre zij tot terugbetaling kon worden verplicht van reeds ontvangen alimentatie die zij voor haar levensonderhoud had aangewend. De Hoge Raad bevestigde dat de rechter bij terugwerkende verlaging een behoedzaam gebruik moet maken van zijn discretionaire bevoegdheid en een verzwaarde motiveringsplicht heeft, vooral wanneer de onderhoudsgerechtigde aanzienlijke bedragen moet terugbetalen en niet in staat is daartoe.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad over de ontvankelijkheid van een aanvullend cassatieverzoek dat na het verstrijken van de cassatietermijn werd ingediend met nieuwe klachten gebaseerd op een proces-verbaal dat de vrouw niet tijdig had ontvangen. De Hoge Raad stelde dat een aanvullend verzoek alleen ontvankelijk is indien in het oorspronkelijke verzoekschrift een voorbehoud is gemaakt voor dergelijke aanvullingen, wat hier niet het geval was. Daarom werd het aanvullend verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt toegewezen wegens onvoldoende motivering van de terugwerkende alimentatieverlaging; het aanvullend cassatieverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.