ECLI:NL:PHR:2007:BA7913
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens overschrijding redelijke termijn in ontnemingsvordering
In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep op 11 december 2000 en de einduitspraak op 1 februari 2006 bedroeg ruim vijf jaar, zonder dat bijzondere omstandigheden dit konden rechtvaardigen.
De advocaat-generaal stelde in zijn conclusie dat hoewel de redelijke termijn was overschreden, dit niet zodanig uitzonderlijk was dat niet-ontvankelijkheid van het OM gerechtvaardigd was. Het Hof baseerde zijn beslissing mede op het feit dat de raadsman van de veroordeelde in 2002 en 2004 stelbrieven naar de griffie had gestuurd, maar er was geen sprake van een verzoek tot bespoediging.
De Hoge Raad oordeelt dat aan een dergelijke uitzonderlijke beslissing zware motiveringseisen worden gesteld en dat het enkele tijdsverloop van ruim vijf jaar onvoldoende is om aan die eisen te voldoen. Ook de door het Hof genoemde omstandigheden bieden geen voldoende grondslag. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van niet-ontvankelijkheid OM en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling.