ECLI:NL:PHR:2007:BA7897

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01847/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 427 SvArt. 9a SrArt. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 177 Wegenverkeerswet 1994Art. 178 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking cassatieberoep bij tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf en overtredingen

In deze zaak gaat het om de vraag of verdachte in cassatie kan worden ontvangen tegen een arrest waarbij met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd voor een overtreding, maar waarbij wel de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van meer dan € 250 is gelast.

De Hoge Raad benadrukt dat art. 427 Sv Pro het cassatieberoep tegen arresten betreffende overtredingen beperkt tot gevallen waarin een straf of maatregel is opgelegd, en dat de beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet als zodanig wordt aangemerkt. De wetgever heeft niet beoogd dat tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging beroep mogelijk is.

De conclusie is dat verdachte niet ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. De beslissing tot tenuitvoerlegging maakt onlosmakelijk deel uit van het vonnis en volgt de procedurele lotgevallen daarvan, maar vormt geen zelfstandige strafoplegging die cassatie openstelt.

Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van het cassatieberoep bij overtredingen en de positie van tenuitvoerlegging van voorwaardelijke straffen binnen het strafproces.

Uitkomst: Verdachte wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep tegen het arrest waarin geen straf is opgelegd maar wel tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf is bevolen.

Conclusie

Nr. 01847/06
Mr. Vellinga
Zitting: 19 juni 2007
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Aan de verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd. Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 300,=, subsidiair zes dagen hechtenis, gelast.
2. Namens verdachte hebben mr. G.P. Hamer en B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Alvorens ik aan bespreking van het middel toe kan komen, moet eerst de vraag worden beantwoord of de verdachte in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. In de inleiding op de schriftuur bepleiten de indieners daarvan dat het cassatieberoep ontvankelijk is, omdat weliswaar aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd in verband met de te zijnen laste bewezenverklaarde overtreding, maar daarbij wel de tenuitvoerlegging van een geldboete van meer dan €250,= is gelast en daarmee het bagatel-karakter aan de zaak is komen te ontvallen.
4. 's Hofs arrest houdt in dat ten laste van de verdachte wordt bewezen verklaard dat hij zich op 14 december 2004 schuldig heeft gemaakt aan het rijden zonder geldig rijbewijs, een overtreding van art. 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994. Dat feit is, ingevolge het bepaalde in art. 177, eerste lid aanhef en sub a, in verbinding met art. 178, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 een overtreding.
5. Art. 427, tweede lid Sv, bepaalt:
"Tegen arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende overtredingen staat beroep in cassatie open voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat het arrest heeft gewezen, en de verdachte, tenzij terzake in de einduitspraak:
a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum - van € 250,=."
6. De onderhavige bepaling noemt het geven van een bevel tot tenuitvoerlegging ter zake van een straf die de grens van € 250,= te boven gaat niet als een geval waarin ondanks het feit dat - zoals in het onderhavige geval - met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd beroep in cassatie openstaat.(1) Naar de tekst van de wet staat in het onderhavige geval dus geen beroep in cassatie open. Toch zou die bepaling, aldus schriftuur, zo moeten worden verstaan omdat art. 427 Sv Pro beoogt alleen bagatelzaken van cassatie uit te sluiten en een zaak waarin een tenuitvoerlegging is bevolen van een straf die € 250,= te boven gaat, niet meer als bagatelzaak kan worden aangemerkt.
7. Tot de Wet van 26 november1986(2) tot herziening van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidsstelling was geen enkele beslissing tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling aan enig rechtsmiddel onderworpen (art. 14k lid 1 (oud) Sr). Dat veranderde toen bij genoemde wet uit een oogpunt van rationalisering van het strafproces(3) werd bepaald, dat de vordering tot tenuitvoerlegging gebaseerd op het begaan van een nieuw strafbaar feit, aanhangig diende te worden gemaakt bij de rechter die met de berechting van dat nieuwe feit was belast (art. 14g lid 3 Sr). De Memorie van Toelichting houdt daarover in:
"8. Een belangrijke vernieuwing ten opzichte van de bestaande regeling van de voorwaardelijke veroordeling vormt het voorstel, gedaan in grote lijnen in navolging van de Commissie-Van Andel, om in geval van schending van de algemene voorwaarde de rechter bij wie de berechting van een nieuw strafbaar feit aanhangig wordt gemaakt de bevoegdheid toe te kennen bij de uitspraak over dit feit tevens de tenuitvoerlegging te gelasten van een door hem of een andere rechter voorwaardelijk opgelegde straf of een gedeelte daarvan. Een dergelijke gang van zaken kan aanmerkelijk bijdragen tot een rationalisering van het straftoemetingsproces. Een gang van zaken als voorgesteld impliceert dat het openbaar ministerie, belast met de vervolging van het nieuwe feit, de vordering tot tenuitvoerlegging aanhangig dient te maken, ook al is dat openbaar ministerie niet ingevolge artikel 553 Sv Pro. met de tenuitvoerlegging van de straf belast. Het kan ook voorkomen dat de aanvankelijke voorwaardelijke veroordeling is opgelegd in hoger beroep door een gerechtshof. Dan zal, volgens de voorgestelde regeling, bij beslissing van de rechtbank voor welke het nieuwe feit in eerste aanleg wordt vervolgd de tenuitvoerlegging van het door het hof voorwaardelijk opgelegde gedeelte kunnen worden gelast. Wij achten dat niet bezwaarlijk, omdat volgens de voorgestelde regeling de beslissing tot tenuitvoerlegging in zo'n geval deel van de uitspraak van de rechtbank over het nieuwe strafbare feit dient te zijn, welke uitspraak in haar geheel (artikel 407 Sv Pro.) weer voor hoger beroep vatbaar is. Bovendien achten wij dit niet bezwaarlijk omdat de bevoegdheden tot straftoemeting van rechtbank en hof gelijk zijn. Anders ligt dit ten aanzien van de verhouding tussen kantongerecht en arrondissementsrechtbank. Wij achten het bezwaarlijk de kantonrechter bevoegd te maken tot het gelasten van de tenuitvoerlegging van een in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde voorwaardelijke straf, zeker van straf tot de oplegging waarvan de kantonrechter niet bevoegd is (gevangenisstraf). Vandaar dat wij voorstellen dat een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling alleen bij een andere rechter kan worden ingesteld dan de rechter die deze aanvankelijk oplegde, als eerstgenoemde rechter naar regels van absolute competentie in eerste aanleg of in hoger beroep van eenzelfde feit had kunnen kennisnemen als waarvoor de voorwaardelijke straf werd opgelegd.
9. Voorgesteld wordt dat ingeval vervolging ter zake van een nieuw feit plaatsvindt en voor de ter zake van dat feit bevoegde rechter een vordering tot tenuitvoerlegging wordt ingesteld, de behandeling van die vordering gelijktijdig met de behandeling van het vervolgde feit geschiedt en dat die vordering slechts bij gelegenheid van een veroordeling voor dat feit kan worden toegewezen. De vordering tot tenuitvoerlegging is geen onderdeel van de dagvaarding ter zake van het nieuwe feit, maar kan gelijktijdig met deze aan de verdachte worden betekend of los daarvan, binnen de wettelijk gestelde termijnen. Een bezwaarschrift tegen de dagvaarding, waarbij een vordering tot tenuitvoerlegging is gevoegd, kan dan ook niet mede op die vordering betrekking hebben. De rechter dient wel in één en hetzelfde vonnis uitspraak te doen omtrent het ten laste gelegde nieuwe feit en omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging. Met het oog daarop wordt de invoeging van een nieuw artikel 361a in het Wetboek van Strafvordering voorzien, dat voorschrijft, dat het vonnis van de rechtbank in dergelijke gevallen tevens de beslissing omtrent die vordering bevat,
De gezamenlijke behandeling van een nieuw feit en van de vordering tot tenuitvoerlegging kan voor de politierechter geschieden als deze een straf, als waarop de vordering betrekking heeft, zelf had kunnen opleggen. Bepalend voor de bevoegdheid van de politierechter is voorts artikel 376 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dat hem verbiedt om op grond van één tenlastelegging gevangenisstraf van meer dan zes maanden op te leggen. Een vordering tot tenuitvoerlegging is echter geen onderdeel van de tenlastelegging voor een nieuw feit en de toewijzing van zo'n vordering leidt niet tot de "oplegging" van een straf, doch tot de tenuitvoerlegging van het geheel of een deel van een reeds eerder opgelegde straf. Artikel 376 Sv Pro. verzet zich er derhalve niet tegen, dat de politierechter in één vonnis zes maanden gevangenisstraf oplegt en de tenuitvoerlegging van drie maanden aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gelast.
In het door ons gekozen systeem dient de rechter zich expliciet uit te laten over de vordering tot tenuitvoerlegging en zijn beslissing daaromtrent te motiveren. Wij volgen in dit opzicht niet de gedachte van de meerderheid van de Commissie-Van Andel de rechter te laten volstaan met de constatering ((er mee rekening te hebben gehouden)) dat het nieuwe feit in de proeftijd is gepleegd, een gedachte, die door een minderheid van de Commissie niet werd onderschreven en die door degenen die over het rapport van de Commissie advies hebben uitgebracht over het algemeen werd afgewezen. Uit de door ons in navolging van de opvattingen van de minderheid van de Commissie (zie blz. 20 van het rapport) gekozen opzet vloeit wel nog een verdere aanpassing van het Wetboek van Strafvordering voort, nl. van artikel 424, dat op de besluitvorming in hoger beroep betrekking heeft. De ratio om een gezamenlijke behandeling mogelijk te maken van de vordering tot tenuitvoerlegging en de vervolging van een nieuw feit en daarover in één vonnis uitspraak te verkrijgen, noopt er tevens toe hoger beroep slechts tegen dat vonnis in zijn geheel toe te laten. Artikel 407, eerste lid, Sv. is derhalve op een dergelijk vonnis onverkort toepasselijk. Waar het voorgestelde artikel 361a Sv. evenwel voorschrijft, dat uit het vonnis moet blijken hoeveel voorwaardelijk opgelegde straf moet worden tenuitvoergelegd en hoeveel nieuwe straf is opgelegd, dient te worden verduidelijkt, onder welke omstandigheden tot een wijziging van het vonnis in hoger beroep met eenparigheid van stemmen dient te worden besloten. Dit is, zo stellen wij voor, slechts vereist als de appellant er ten gevolge van een dergelijke beslissing per saldo op achteruit zou gaan.
Tegen het vonnis waarbij onder meer een tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf wordt bevolen kan slechts in zijn geheel hoger beroep worden ingesteld. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan worden beperkt tot hetzij de veroordeling in de hoofdzaak hetzij de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.(4) Die beslissing, door G.E. Mulder betiteld als de beslissing in de bijzaak(5), maakt een onlosmakelijk deel uit van het vonnis en volgt dus de processuele lotgevallen van de beslissing in de strafzaak.
8. Uit de wetgeschiedenis blijkt niet dat onder ogen is gezien dat een kantonrechter in een zaak waarin toepassing werd gegeven aan het bepaalde in art. 9a Sr, de tenuitvoerlegging kon bevelen van een straf die de toenmalige grenzen voor hoger beroep van een kantongerechtsvonnis (art. 44 (oud) Wet RO) te boven ging. Wel laat de hiervoor aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting zien dat aan een beslissing tot tenuitvoerlegging niet zo zwaar werd getild dat de duur van de ten uitvoer te leggen straf in aanmerking werd genomen bij de bepaling van de competentie van de Politierechter.
9. De bijrol die de berechting van de vordering tot tenuitvoerlegging in het strafgeding is toegedacht, wijst niet in de richting van het in de schriftuur bepleite standpunt. Dat geldt ook voor HR 5 december 2006, NJ 2007, 93, m.nt. Reijntjes. In mijn conclusie voorafgaand aan dit arrest had ik bepleit dat gelet op de bedoeling van de wetgever om het cassatieberoep uit te sluiten voor zogeheten 'bagatel-zaken', aangenomen moest worden dat de in art. 427, tweede lid Sv gegeven beperking van het cassatieberoep voor overtredingen waarvoor een geldboete van meer dan € 250,= is opgelegd, aldus moest worden verstaan dat die geldboete onvoorwaardelijk is opgelegd. De Hoge Raad overwoog echter:
"In de tekst van art. 427 Sv Pro wordt geen onderscheid gemaakt tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk opgelegde geldboetes. Ook aan de strekking van deze bepaling kan niet een voldoende duidelijk aanknopingspunt worden ontleend voor de uitleg dat dit artikel enkel betrekking heeft op geldboetes die onvoorwaardelijk zijn opgelegd."
10. Aan de hiervoor beschreven herziening van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling heeft niet de bedoeling ten grondslag gelegen in afwijking van de tot dan geldende regeling een mogelijkheid van beroep tegen een beslissing op een vordering tot tenuitvoerlegging te scheppen. Die mogelijkheid werd als uitvloeisel van de nieuwe wettelijke regeling aanvaard, niet beoogd. In zoverre kan aan de strekking van de wet dus niet een voldoende duidelijk aanknopingspunt worden ontleend voor het in de schriftuur bepleite standpunt.
11. Rest nog de vraag of de omstandigheid dat de beslissing tot tenuitvoerlegging een straf van meer dan € 250,= betreft, terwijl art. 427, tweede lid Sv hoger beroep alleen uitsluit voor zover niet hoger is gestraft dan € 250,=, van voldoende gewicht is om in weerwil van al het voorgaande aan te nemen dat de wetgever beoogde in een geval als het onderhavige hoger beroep mogelijk te maken ook al is de veroordeling in de strafzaak gebleven onder de in art. 427, tweede lid Sv bepaalde grens waarboven hoger beroep mogelijk is. Naar mijn mening is dat niet het geval. Daarvoor heeft de wetgever de vordering tot tenuitvoerlegging in het strafgeding een te ondergeschikte positie toegekend. Daarbij dient te worden bedacht dat voor wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging alleen de vraag speelt of tot gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging dient te worden overgegaan. Uit de beslissing in de strafzaak volgt immers reeds dat de algemene voorwaarde is overtreden.
12. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte niet in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen. Het middel kan derhalve buiten bespreking blijven.
13. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Terwijl het bevel evenmin kan worden beschouwd als een "conviction" of "sentence" in de zin van art. 14, vijfde lid, IVPBR, vgl. HR 6 januari 1998, NJ 1998, 644.
2 Stb. 593, in werking getreden per 1 januari 1987.
3 Kamerstukken II 1984-1985, 18 764, nr. 3, p. 1.
4 Vgl. HR 19 oktober 1993, NJ 1994, 233 en HR 14 juni 1994, NJ 1994, 675.
5 Noot bij HR 6 november 1990, NJ 1991, 275.