ECLI:NL:PHR:2007:BA7264
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over ontvankelijkheid hoger beroep bij voeging van strafzaken met verschillende betekening dagvaardingen
In deze zaak ging het om twee strafzaken (zaak A en zaak B) die door de politierechter waren gevoegd en bij verstek tegen verdachte waren behandeld. Zaak A betrof rijden onder invloed met een landbouwvoertuig, waarbij de dagvaarding niet in persoon aan verdachte was betekend. Zaak B betrof het besturen van een auto terwijl het rijbewijs was ingevorderd, waarbij de dagvaarding wel in persoon was betekend.
De politierechter veroordeelde verdachte tot tien weken gevangenisstraf en een rijontzegging. Verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis, maar dit gebeurde na het verstrijken van de beroepstermijn van veertien dagen voor zaak B. Het hof verklaarde verdachte echter ontvankelijk in hoger beroep voor beide zaken, omdat het vonnis één geheel vormde.
De Advocaat-Generaal stelde cassatieberoep in namens het Openbaar Ministerie en betoogde dat verdachte niet ontvankelijk had moeten worden verklaard voor zaak B omdat de beroepstermijn was verstreken. De Hoge Raad bevestigde dat de beroepstermijn per zaak geldt en dat voeging van zaken niet leidt tot een gelijkschakeling van die termijnen. Het hof had dus ten onrechte verdachte ontvankelijk verklaard voor zaak B.
De Hoge Raad overwoog verder dat ondanks de gegrondheid van het middel, het cassatieberoep verworpen moet worden omdat verdachte geen belang had bij vernietiging en het beroep niet tot cassatie mocht leiden. De strafoplegging bleef in stand, waarbij de straf voor zaak B als niet-ontvankelijk werd beschouwd en de straf voor zaak A volledig bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen ondanks gegrondverklaring van het middel wegens ontbreken van belang, waarbij de strafoplegging in stand blijft en verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard voor zaak B.