1. Zie voor het onder 1.1.en 1.2 gestelde rov. 7 van de eindbeschikking van het hof van 12 juli 2006.
2. Dit verzoek is gedaan in een verweerschrift van 8 september 2000 en ook, voor de duur van het geding, in een verzoekschrift van 3 oktober 2000.
3. Deze zaak is in cassatie abusievelijk ingeleid bij dagvaarding van 6 oktober 2006 tegen de zitting van 20 oktober 2006. Bij faxbrief van 18 oktober 2006 heeft de advocaat van de man, mr. A.M. van Kuijeren, de Hoge Raad verzocht ex art. 69, lid 1 Rv te bevelen dat de zaak wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor een verzoekschriftprocedure, voor zover nodig met bepaling van een termijn waarbinnen op kosten van de aanlegger het stuk, waarmee de procedure is ingeleid, verbeterd of aangevuld dient te worden. Toen mr. Van Kuijeren niet op de zitting van 20 oktober 2006 verscheen, is de zaak voor beraad voortprocederen aangehouden tot de zitting van 27 oktober 2006. Uit het griffiedossier blijkt dat vervolgens op de rolzitting van 27 oktober 2006 is bepaald dat de zaak vóór 10 november 2006 als verzoekschrift diende te worden aangeboden bij de civiele griffie van de Hoge Raad. Het verzoekschrift in cassatie is op 9 november 2006 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen.
4. Zie in dit verband TK 1992-1993, 23 012, nr. 3, blz. 26 en Asser-De Boer, 2006, nr. 1000. Over deze strikte koppeling laat S.F.M. Wortmann zich kritisch uit in § 3 van haar annotatie in NJ 2005, 574: de strikte koppeling "is weinig vruchtbaar en levert telkens opnieuw problemen op".
5. In de eerste regel van rov. 5.3 spreekt de Hoge Raad van 'definitieve ontzegging', maar even verderop overweegt de Hoge Raad dat art. 1:253aBW de rechter niet de bevoegdheid geeft een ouder die gezamenlijk met de andere ouder het gezag uitoefent, het recht op omgang voor onbepaalde tijd te ontzeggen. Het lijkt aannemelijk dat de Hoge Raad ook in de eerste regel het voor onbepaalde tijd ontzeggen van de omgang op het oog had. Dit te meer omdat in het arrest a quo ook niet tot een definitieve ontzegging van de omgang was beslist, maar tot stopzetting van de omgang.
6. Vgl. TK 2004-2005, 30 145, nr. 2 (blz. 3) en nr. 3 (blz. 14-15) en TK 2006-2007, 30 145, nr. 6 (blz. 2) en nr. 7 (blz. 2).
7. Zo is er niet bepaald dat de schorsing van het recht op omgang op een bepaald moment eindigt en dat de man, indien ook dan een regeling in der minne dienaangaande niet kan worden bereikt, desgewenst zich voor vaststelling van een omgangsregeling weer tot de rechter kan wenden. Onderkend wordt overigens dat, gelet op de hele gang van zaken tot nu toe, het ook niet eenvoudig is een zinnige termijn te bepalen.
8. Zie in dit verband ook HR 30 maart 2007, RvdW 2007, 361, JOL 2007, 221. In de betreffende zaak is, in het kader van artikel 1:377a BW, door het hof aan de moeder omgang met haar kind ontzegd, omdat de omgang tussen de moeder en het kind tot spanningen van dien aard zal leiden dat daarmee zwaarwegende belangen van het kind worden getroffen. Omtrent dit oordeel overweegt de Hoge Raad dat het geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is, terwijl het in cassatie verder niet op juistheid kan worden getoetst. Zie voorts de conclusie van A-G mr. Keus, vooral § 2.3 van die conclusie, vóór HR 16 maart 2007, RvdW 2007, 313, JOL 207, 183.