Conclusie
Onderdeel 1van het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat het huurrecht dat aan partijen tot de echtscheiding gezamenlijk toekwam, geen vermogensbestanddeel is dat na echtscheiding voor verdeling c.q. verrekening in aanmerking komt. Het onderdeel acht dit oordeel onjuist en verdedigt de opvatting dat, indien, zoals in het onderhavige geval, waarde aan het huurrecht verbonden kan worden, die waarde dient te worden verdeeld c.q. verrekend.
Onderdeel 2van het middel neemt met een motiveringsklacht stelling tegen het oordeel van het hof dat de inspanningen en kosten waarvan de vrouw stelt dat zij zich deze in het verleden heeft getroost om de woning te verbeteren en/of te verfraaien waardoor de waarde van de woning is vermeerderd, niet aan de man als huurder doch aan de eigenaar die niet in deze procedure is betrokken, ten goede komen.
Onderdeel 3van het middel komt, naar ik begrijp, eveneens met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof dat evenmin van belang is of de man de zolderetage al dan niet legaal kan verhuren, aangezien de zolderetage deel uitmaakt van de woning en bij het huurrecht is inbegrepen.
conclusiestrekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te Amsterdam en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.