ECLI:NL:PHR:2007:BA3036

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/066HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 sub h Wet BopzArt. 2 lid 1 Wet BopzArt. 5 EVRMArt. 10 lid 1 Wet BopzArt. 25 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing wegens onjuiste voorlopige machtiging verblijf in niet-erkende BOPZ-locatie

In deze zaak gaat het om de vraag of een voorlopige machtiging tot voortzetting van verblijf van betrokkene in een locatie van de Willem Arntsz Hoeve, locatie De Windehof te Bilthoven, rechtsgeldig kon worden verleend. Betrokkene verbleef niet in het psychiatrisch ziekenhuis te Den Dolder, maar in een woonafdeling die niet als psychiatrisch ziekenhuis is aangemerkt volgens de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).

De rechtbank had een machtiging verleend om het verblijf in deze locatie voort te zetten, maar de Hoge Raad oordeelt dat deze locatie niet in de bijlage van de Regeling Aanmerking Psychiatrisch Ziekenhuis Bopz is opgenomen en dus niet als zodanig erkend is. Hierdoor ontbreekt de wettelijke grondslag voor de vrijheidsbenemende maatregel in deze locatie.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank bij het verlenen van de machtiging had moeten toetsen of de locatie als psychiatrisch ziekenhuis was aangemerkt. Omdat dit niet is gebeurd, is sprake van een schending van het recht. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar de rechtbank Utrecht voor verdere behandeling. De mogelijkheid dat de machtiging voor een andere BOPZ-inrichting is gebruikt, moet nader worden onderzocht.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank wegens het ontbreken van erkenning van de locatie als psychiatrisch ziekenhuis.

Conclusie

R07/066HR
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 13 april 2007
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
tegen
Officier van Justitie te Utrecht
In deze Bopz-zaak gaat het om de vraag of de instelling, waar betrokkene verblijft, is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis.
1. Het procesverloop
1.1. De officier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft op 10 januari 2007 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen ten einde het verblijf van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in het psychiatrisch ziekenhuis Altrecht Willem Arntsz Hoeve te Den Dolder te doen voortduren(1).
1.2. Betrokkene en haar raadsvrouw en de behandelend psychiater zijn door de rechtbank gehoord op 29 januari 2007(2) in "De Windehof" te Bilthoven. Zowel het proces-verbaal van verhoor als de bestreden beschikking vermelden dat betrokkene verblijft in "de Willem Arntsz Hoeve, locatie De Windehof te Bilthoven"(3).
1.3. Bij beschikking van 29 januari 2007 heeft de rechtbank een machtiging verleend "om het verblijf van betrokkene in de Willem Arntsz Hoeve, locatie De Windehof te Bilthoven of een andere BOPZ-inrichting te doen voortduren", met ingang van heden tot en met 29 juli 2007. De rechtbank overwoog dat betrokkene thans vrijwillig verblijft in een BOPZ-instelling.
1.4. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Het (enige) middel klaagt dat de rechtbank in strijd met het recht, in het bijzonder met artikel 2 lid Pro 1, in verbinding met art. 1, lid 1 onder h Wet Bopz, in verbinding met bijlage 1 van de Regeling Aanmerking Psychiatrisch Ziekenhuis Bopz (Stcrt. 2003, 249) en art. 5 EVRM Pro, een machtiging heeft verleend om het verblijf van betrokkene in de Willem Arntzhoeve, locatie De Windehof te Bilthoven, te doen voortduren. Volgens het middel is die locatie niet aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis en steunt de vrijheidsbenemende maatregel niet, althans in onvoldoende mate, op een wettelijke grondslag. Ter onderbouwing is in cassatie een faxbericht van het ministerie van VWS van 26 maart 2007 - daterend van ná de bestreden beschikking - overgelegd, waaruit volgt dat de minister van VWS bij beschikking van 8 oktober 1998, nr. GVM/GGZ/985379, diverse lokaties van de Stichting H.C. Rümkegroep als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz heeft aangemerkt, maar de lokatie De Lindehof te Bilthoven uitdrukkelijk niet, zulks ondanks een daartoe strekkend verzoek van de (toenmalige) Raad van Bestuur van de Rümkegroep.
2.2. De relevante regelgeving met betrekking tot een aanmerking als psychiatrisch ziekenhuis is recent aan de orde gekomen in de zaken HR 24 maart 2006, NJ 2006, 218(4), en HR 16 maart 2007, LJN:AZ7908. Ik moge ditmaal volstaan met een verwijzing. Indien de rechtbank een voorlopige machtiging verleent tot opname in "een" psychiatrisch ziekenhuis, behoeft zij zich niet het hoofd erover te breken, in welk psychiatrisch ziekenhuis de machtiging ten uitvoer wordt gelegd: zo nodig kan de officier van justitie op de voet van art. 10 Wet Pro Bopz een psychiatrisch ziekenhuis aanwijzen. Indien de rechtbank een bepaald ziekenhuis aanwijst, moet dit zijn aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis. Het middel neemt m.i. terecht tot uitgangspunt dat de lokatie "De Windehof" te Bilthoven niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van art. 1 lid 1 sub h Wet Pro Bopz. Deze lokatie is niet opgenomen in de bijlage bij de Regeling Aanmerking Psychiatrisch Ziekenhuis Bopz(5). Derhalve heeft de rechtbank niet een voorlopige machtiging mogen geven om het verblijf in de Willem Arntszhoeve, lokatie De Lindehof te Bilthoven, te doen voortduren.
2.3. Een vraag is nog, of de feitelijke grondslag van het middel kan worden gevonden in de bestreden uitspraak of in de stukken van het geding (art. 419 lid 2 Rv Pro). Anders dan in de eerdere zaken over dit onderwerp, is in deze zaak in feitelijke aanleg niet een verweer gevoerd met de strekking dat de verzochte machtiging niet zou mogen worden verleend omdat "De Windehof" niet is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis. Voor een uiteenzetting van het leerstuk "novum in cassatie", zie: Asser procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nrs. 133 - 138. De rechter is op grond van art. 25 Rv Pro verplicht om, onverschillig of partijen daarop een beroep hebben gedaan, het recht op de door hem vastgestelde feiten toe te passen, behalve voor zover voor het intreden van een bepaald rechtsgevolg een uitdrukkelijk beroep van de belanghebbende partij vereist is. Toen de rechtbank in deze zaak constateerde dat betrokkene niet verbleef in de Willem Arntsz Hoeve te Den Dolder, zoals het inleidend verzoekschrift vermeldde, maar verbleef in De Windehof te Bilthoven, had de rechtbank de in het middel aangehaalde bepalingen moeten toepassen en moeten onderzoeken of De Windehof is aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis alvorens dit in de beschikking aan te wijzen. Een ambtshalve toepassing van deze bepalingen zou hebben geleerd dat een voorlopige machtiging kan worden afgegeven om het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren, maar niet om het verblijf in een niet als psychiatrisch ziekenhuis aangemerkte woonvoorziening te doen voortduren. Het cassatiemiddel klaagt in wezen over schending van art. 25 Rv Pro in verbinding met art. 2, in verbinding met art. 1, Wet Bopz.
2.4. Voor zover de voorlopige machtiging strekt tot gedwongen opneming in een "andere Bopz-inrichting", zou zij in beginsel in stand kunnen blijven. De voorlopige machtiging kan niet meer ten uitvoer worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verstreken (art. 10 lid 1 Wet Pro Bopz). Of van de machtiging gebruik is gemaakt voor een opneming in een "andere Bopz-inrichting", vergt een onderzoek naar de feiten. In verband hiermee stel ik verwijzing van de zaak voor.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Utrecht.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 De Willem Arntzhoeve te Den Dolder is - in cassatie onbestreden - aangemerkt als psychiatrisch ziekenhuis.
2 De vermelding van de datum 23 januari 2007 in het oorspronkelijk afgegeven proces-verbaal is een vergissing. Op 9 maart 2007 is door de rechtbank, op verzoek van de raadsvrouw van betrokkene, een verbeterd proces-verbaal afgegeven.
3 In gelijke zin luidt een vermelding in de geneeskundige verklaring en de staat van uitvoering van het behandelingsplan.
4 BJ 2006, 23 m.nt. W. Dijkers.
5 Bij een zogenaamde multi-functionele eenheid geldt dat het niet de functionele eenheid is die in de Regeling aanmerking psychiatrisch ziekenhuis Bopz wordt vermeld, maar de binnen zo'n eenheid aanwijsbare onderdelen; vgl. De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, losbl., aant. 1.2 op art. 1 (W. Dijkers); zie ook de noot van W. Dijkers in BJ 2006, 23.