ECLI:NL:PHR:2007:BA2622
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de 30%-regeling op commissarissen in fictieve dienstbetrekking
De zaak betreft de vraag of een commissaris, die in een fictieve dienstbetrekking staat, aanspraak kan maken op de 30%-regeling voor extraterritoriale kosten. Belanghebbende, een commissaris woonachtig in de Verenigde Staten, werd door de Inspecteur geweigerd voor toepassing van de regeling omdat hij geen werknemer zou zijn in de zin van artikel 2 van Pro de Wet LB.
Het Hof 's-Hertogenbosch oordeelde dat de tekst van artikel 2, lid 1 en lid 3, juncto artikel 3, lid 1, letter g, van de Wet LB duidelijk maakt dat een commissaris als werknemer wordt beschouwd, ook als hij niet in privaat- of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. De uitsluiting van fictieve dienstbetrekkingen in de oude 35%-regeling geldt niet automatisch voor de 30%-regeling, omdat de wetgever dit niet expliciet heeft vastgelegd.
De Staatssecretaris voerde aan dat de wetgever niet heeft beoogd fictieve dienstbetrekkingen zoals commissarissen onder de 30%-regeling te laten vallen. De Hoge Raad concludeert echter dat de tekst van de wet en het Uitvoeringsbesluit duidelijk zijn en dat de commissaris als werknemer in de zin van artikel 2 van Pro de Wet LB moet worden aangemerkt. Middelen van de Staatssecretaris worden verworpen.
De Hoge Raad bevestigt daarmee dat de 30%-regeling ook geldt voor commissarissen in fictieve dienstbetrekking, mits zij voldoen aan de overige voorwaarden zoals specifieke deskundigheid. Dit arrest verduidelijkt de reikwijdte van de 30%-regeling en de definitie van werknemer binnen de loonbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat commissarissen in fictieve dienstbetrekking onder de 30%-regeling vallen.