ECLI:NL:PHR:2007:BA2508
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onjuiste maatstaf bij afwijzing voorlopige machtiging Wet Bopz
In deze zaak heeft de officier van justitie bij de rechtbank Rotterdam verzocht om een voorlopige machtiging tot opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank wees het verzoek af omdat zij oordeelde dat er geen sprake was van onmiddellijk dreigend gevaar zoals vereist voor een inbewaringstelling volgens artikel 20 van Pro de Wet Bopz.
De officier van justitie stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte artikel 20 als Pro maatstaf hanteerde, terwijl het verzoek was gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet Bopz, dat geen eis stelt van onmiddellijk dreigend gevaar. De Hoge Raad bevestigde dat voor een voorlopige machtiging op grond van artikel 2 Wet Pro Bopz vereist is dat er sprake is van gevaar dat niet door derden kan worden afgewend, maar dat dit gevaar niet onmiddellijk dreigend hoeft te zijn.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank en verwees de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam voor hernieuwde beoordeling volgens de juiste maatstaf. Hiermee is bevestigd dat de spoedeisende maatregel van inbewaringstelling een hogere drempel kent dan de voorlopige machtiging, en dat de rechtbank de verkeerde wettelijke norm heeft toegepast.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de afwijzing van de voorlopige machtiging en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.