ECLI:NL:PHR:2007:BA2273

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02626/06 H, 02627/06 H & 02628/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 457 SvArt. 467 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van veroordelingen wegens persoonsverwisseling bij strafzaken

De aanvrager is in drie strafzaken veroordeeld voor onder meer opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en poging tot doodslag. De veroordelingen zijn onherroepelijk. De aanvragen tot herziening baseren zich op het feit dat de broer van de aanvrager bij zijn aanhoudingen de persoonsgegevens van de aanvrager gebruikte, waardoor aanvrager ten onrechte is veroordeeld.

Uit verklaringen van getuigen, de moeder van de aanvrager en politieonderzoek blijkt dat de broer van de aanvrager zijn identiteit gebruikte bij aanhoudingen. Dactyloscopisch onderzoek toont aan dat de vingerafdrukken van de aangehouden persoon niet overeenkomen met die van de aanvrager, maar vermoedelijk met die van zijn broer.

De Hoge Raad concludeert dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 457 onder Pro 2° Sv, die tijdens het onderzoek niet bekend was en die, indien wel bekend, tot vrijspraak had kunnen leiden. Daarom worden de herzieningsverzoeken gegrond verklaard, wordt de tenuitvoerlegging van de vonnissen opgeschort en worden de zaken verwezen naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsverzoeken gegrond en verwijst de zaken voor nieuwe behandeling naar het gerechtshof.

Conclusie

Nr. 02626/06 H, 02627/06 H & 02628/06
Mr. Vellinga
Zitting: 27 maart 2007
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. De Politierechter te Haarlem heeft aanvrager bij vonnis van 10 februari 2005 veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden ter zake van 'opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod' alsmede de maatregel van onttrekking aan het verkeer opgelegd (zaaksnummer 02626/06 H), de Rechtbank te Amsterdam heeft de aanvrager bij vonnis van 15 maart 2002 ter zake van 'poging tot doodslag, meermalen gepleegd' veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden, twee vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd (zaaksnummer 02627/06 H), en de Politierechter te Amsterdam heeft bij vonnis van 4 oktober 2001 de aanvrager veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair zestig dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren wegens 'opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd' (zaaksnummer 02628/06 H).
2. Namens de aanvrager heeft mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, drie aanvragen tot herziening van bovenvermelde vonnissen(1) ingediend.
3. Alle drie de aanvragen steunen op de stelling dat de broer van aanvrager, [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1976, de persoonsgegevens van de aanvrager, te weten [aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1979, heeft opgegeven bij zijn aanhoudingen ter zake van de bovengenoemde feiten en aanvrager derhalve ten onrechte voor die feiten is veroordeeld.
4. In de aanvragen wordt om deze stelling te onderbouwen aangevoerd dat [getuige 1] op 20 oktober 2005 bij de politie heeft verklaard dat [betrokkene 1] de naam van zijn broer (de aanvrager) gebruikt om uit de problemen te blijven. Kopieën van het proces-verbaal van politie waarin deze verklaring is opgenomen zijn bij de aanvragen gevoegd. Daarnaast wordt aangevoerd dat de broer van aanvrager op 3 oktober 2005 door de politie is aangehouden en dat uit het proces-verbaal volgt dat de politie er achter is gekomen dat deze broer de naam van aanvrager gebruikte. Bij zijn aanhouding gaf de broer van aanvrager aanvankelijk de naam [...] op, maar na controle van de vingerafdrukken bleek dat die op naam stonden van de aanvrager. Het proces-verbaal van politie houdt in dat ook die naam vals is en dat de aangehoudene in werkelijkheid [betrokkene 1] is. Ook van dit proces-verbaal zijn kopieën bij de aanvragen gevoegd.
5. Om de gegrondheid van de aanvragen tot herziening te beoordelen heb ik het College van Procureurs-Generaal verzocht om nader onderzoek te doen verrichten. De resultaten van dit onderzoek houden het volgende in.
6. De op 26 september 2001 afgenomen vingerafdrukken die op naam van de aanvrager staan zijn niet dezelfde als de vingerafdrukken van de aanvrager, zoals die op 2 januari 2007 bij hem zijn afgenomen. Daarnaast heeft de politie de aanvrager en zijn moeder gehoord. De verklaring van de aanvrager houdt onder meer in dat hij in de zomer van 2005 een brief van de gemeentelijke sociale dienst heeft ontvangen waarin hem werd meegedeeld dat zijn uitkering werd gestopt, omdat hij vast zou zitten op Schiphol; een en ander verbaasde aanvrager, omdat hij niet vast zat. Tevens houdt zijn verklaring in dat hij in oktober 2005 samen met zijn broer [betrokkene 1] is aangehouden, dat hem toen bleek dat zijn broer zijn naam eerder had gebruikt en dat zijn broer, nadien door de aanvrager hierop aangesproken, hem zei dat hij er maar mee moest leven.
7. De verklaring van de moeder van aanvrager houdt het volgende in. De moeder van de aanvrager verbleef in Nederland, terwijl haar zonen [betrokkene 1] en [aanvrager] in Suriname verbleven. In Nederland kwam zij hun vader tegen. De vader van [aanvrager] en [betrokkene 1] heeft op haar verzoek [aanvrager] erkend; [betrokkene 1] heette al [...]. Zo kreeg [aanvrager] in Suriname een Nederlands paspoort. Kort nadat de aanvrager in Nederland was aangekomen, kreeg zijn moeder zijn paspoort in handen. Dat stuurde zij, rond het jaar 2000 aan de broer van aanvrager, die hiermee naar Nederland is gekomen. Na aankomst in Nederland heeft moeder het paspoort aan aanvrager teruggegeven. Vanaf zijn komst in Nederland, aldus de moeder, heeft de broer van aanvrager diens persoonsgegevens gebruikt. Daarvan was de aanvrager, die bij zijn vader verbleef, niet door zijn moeder op de hoogte gebracht. Dat heeft zij gedaan toen zij, de moeder en haar twee zoons, in 2005 zijn aangehouden.
Verder behelst deze verklaring dat aanvrager de Nederlandse nationaliteit bezit en zijn broer de Surinaamse. Daarnaast verklaart de moeder dat zij van [betrokkene 1] hoorde dat hij in Suriname door de politie werd gezocht en dat hij naar Nederland belde om met het paspoort van zijn broer naar Nederland te komen.
8. De resultaten van het bovengenoemde nadere onderzoek en het in de aanvragen aangevoerde wekken het ernstige vermoeden, dat genoemde uitspraken berusten op verwisseling van de persoon van aanvragers broer [betrokkene 1] met die van aanvrager.
9. Met betrekking tot de zaak met het nummer 02626/06 merk ik voorts nog het volgende op. De veroordeling van de Politierechter te Haarlem betrof de invoer van onder meer cocaïne op 6 december 2004. Uit de onderliggende stukken volgt dat de Koninklijke Marechaussee na de aanhouding van een persoon die bij zijn verhoor de persoonsgegevens van de aanvrager opgaf, op 6 december 2004 een paspoort aangetroffen dat op naam stond van de aanvrager. Uit de verklaring van de moeder zoals hierboven weergegeven volgt niet ondubbelzinnig dat de broer van aanvrager in 2004 opnieuw het paspoort van aanvrager in handen heeft gekregen om daarmee naar Nederland te reizen.
10. Bij de stukken van deze zaak bevindt zich een proces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee van 5 januari 2005. In dat proces-verbaal geven de verbalisanten aan dat bij de politie Amsterdam-Amstelland een anonieme melding was binnengekomen dat "verdachte [aanvrager] vastzit op de personalia van zijn broer". Daarop hebben de verbalisanten de vingerafdrukken van de aangehouden persoon afgenomen en die via de dactyfoon naar de dienst nationale Recherche Informatie te Zoetermeer gezonden. Uit het daar ingestelde onderzoek bleek, aldus de verbalisanten, dat het dactyloscopisch signalement van de aangehouden persoon in de databank van die Dienst voorkwam.
11. Gelet op het hierboven onder 6 weergeven resultaat van het dactyloscopisch onderzoek van de aanvrager rijst ook hier het ernstige vermoeden dat de aangehouden persoon niet de aanvrager was. Onder diens naam waren immers de dactyloscopische gegevens van aanvragers broer [betrokkene 1] opgeslagen.
12. Het voorgaande brengt mij tot de slotsom dat in alle drie zaken sprake is van een in artikel 457 onder Pro 2° Sv bedoelde omstandigheid die de rechter tijdens het onderzoek op de terechtzitting niet is gebleken en die met de gegeven uitspraak niet bestaanbaar schijnt, in die zin dat daardoor het ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de aanvrager.
De aanvragen tot herziening moeten dus gegrond worden geacht.
13. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvragen tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de vonnissen van de Politierechter te Haarlem van 10 februari 2005, van de Rechtbank te Amsterdam van 15 maart 2002 en de Politierechter te Amsterdam van 4 oktober 2001 zal bevelen, en de zaken zal verwijzen naar het gerechtshof te Amsterdam opdat de zaken op de voet van art. 467 Sv Pro opnieuw zullen worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Uit de stukken van de dossiers volgt dat de vonnissen onherroepelijk zijn.