ECLI:NL:PHR:2007:BA2273
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Herziening van veroordelingen wegens persoonsverwisseling bij strafzaken
De aanvrager is in drie strafzaken veroordeeld voor onder meer opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en poging tot doodslag. De veroordelingen zijn onherroepelijk. De aanvragen tot herziening baseren zich op het feit dat de broer van de aanvrager bij zijn aanhoudingen de persoonsgegevens van de aanvrager gebruikte, waardoor aanvrager ten onrechte is veroordeeld.
Uit verklaringen van getuigen, de moeder van de aanvrager en politieonderzoek blijkt dat de broer van de aanvrager zijn identiteit gebruikte bij aanhoudingen. Dactyloscopisch onderzoek toont aan dat de vingerafdrukken van de aangehouden persoon niet overeenkomen met die van de aanvrager, maar vermoedelijk met die van zijn broer.
De Hoge Raad concludeert dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 457 onder Pro 2° Sv, die tijdens het onderzoek niet bekend was en die, indien wel bekend, tot vrijspraak had kunnen leiden. Daarom worden de herzieningsverzoeken gegrond verklaard, wordt de tenuitvoerlegging van de vonnissen opgeschort en worden de zaken verwezen naar het gerechtshof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsverzoeken gegrond en verwijst de zaken voor nieuwe behandeling naar het gerechtshof.