ECLI:NL:PHR:2007:BA2015
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling alimentatieverplichting bij kinderloos huwelijk in familierechtelijke context
In deze zaak staat centraal of de alimentatieverplichting van de man jegens zijn ex-echtgenote uit hoofde van een echtscheidingsconvenant op grond van artikel 1:157 lid 6 BW Pro is geëindigd omdat het huwelijk kinderloos is gebleven. De man en vrouw waren gehuwd van 2000 tot 2002. Tijdens het huwelijk is een zoon geboren die niet door de man is erkend en die volgens het hof niet als uit het huwelijk geboren kan worden beschouwd.
De rechtbank wees het verzoek van de man af, maar het hof stelde hem in het gelijk en oordeelde dat het huwelijk kinderloos was gebleven in de zin van de wet, mede gelet op de omstandigheden rondom de geboorte van de zoon en het feit dat de vrouw kort na de geboorte met een andere man trouwde. De vrouw ging in cassatie tegen dit oordeel.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'uit het huwelijk geboren' ruim moet worden uitgelegd, maar dat het niet zo is dat enkel het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen de man en het kind voldoende is om het kind als uit het huwelijk geboren te beschouwen. Omdat de man de zoon niet heeft erkend en geen familierechtelijke betrekking bestaat, is het huwelijk kinderloos gebleven in de zin van artikel 1:157 lid 6 BW Pro, waardoor de alimentatieverplichting van rechtswege is geëindigd.
De Hoge Raad verwerpt de cassatiemiddelen en bevestigt het oordeel van het hof, waarmee de alimentatieverplichting jegens de vrouw eindigt na een termijn gelijk aan de duur van het huwelijk.
Uitkomst: De alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd omdat het huwelijk kinderloos is gebleven in de zin van artikel 1:157 lid 6 BW.