ECLI:NL:PHR:2007:BA2015

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/093HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 lid 6 BWArt. 1:199 BWArt. 1:80g lid 3 BWArt. 8 EVRMRichtlijn 2003/86/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling alimentatieverplichting bij kinderloos huwelijk in familierechtelijke context

In deze zaak staat centraal of de alimentatieverplichting van de man jegens zijn ex-echtgenote uit hoofde van een echtscheidingsconvenant op grond van artikel 1:157 lid 6 BW Pro is geëindigd omdat het huwelijk kinderloos is gebleven. De man en vrouw waren gehuwd van 2000 tot 2002. Tijdens het huwelijk is een zoon geboren die niet door de man is erkend en die volgens het hof niet als uit het huwelijk geboren kan worden beschouwd.

De rechtbank wees het verzoek van de man af, maar het hof stelde hem in het gelijk en oordeelde dat het huwelijk kinderloos was gebleven in de zin van de wet, mede gelet op de omstandigheden rondom de geboorte van de zoon en het feit dat de vrouw kort na de geboorte met een andere man trouwde. De vrouw ging in cassatie tegen dit oordeel.

De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'uit het huwelijk geboren' ruim moet worden uitgelegd, maar dat het niet zo is dat enkel het bestaan van een familierechtelijke relatie tussen de man en het kind voldoende is om het kind als uit het huwelijk geboren te beschouwen. Omdat de man de zoon niet heeft erkend en geen familierechtelijke betrekking bestaat, is het huwelijk kinderloos gebleven in de zin van artikel 1:157 lid 6 BW Pro, waardoor de alimentatieverplichting van rechtswege is geëindigd.

De Hoge Raad verwerpt de cassatiemiddelen en bevestigt het oordeel van het hof, waarmee de alimentatieverplichting jegens de vrouw eindigt na een termijn gelijk aan de duur van het huwelijk.

Uitkomst: De alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd omdat het huwelijk kinderloos is gebleven in de zin van artikel 1:157 lid 6 BW.

Conclusie

Rek.nr. R06/093HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 30 maart 2007
conclusie inzake
[De vrouw]
tegen
[De man]
Edelhoogachtbaar College,
1. Art. 1:157 lid 6 BW Pro bepaalt dat indien de duur van een huwelijk niet meer bedraagt dan 5 jaar en uit dit huwelijk geen kinderen zijn geboren, de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk. Het gaat in deze zaak om de vraag wat verstaan moet worden onder een kinderloos huwelijk in de zin van die bepaling.
2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 4.1 t/m 4.3 en r.o. 4.7 van de bestreden beschikking).
(i) Op [geboortedatum] 1990 is uit thans verzoekster tot cassatie, hierna: de vrouw, geboren [de dochter]. Thans verweerder in cassatie, hierna: de man, is niet de vader van [de dochter]. Hij heeft [de dochter] niet erkend.
(ii) Op [geboortedatum] 1998 is uit een contact tussen de man en de vrouw geboren [de zoon]. Ook [de zoon] is door de man niet erkend.
(iii) Tijdens de laatste maanden van de zwangerschap van [de zoon] heeft de vrouw geen relatie gehad met de man, maar met [betrokkene 1], met wie zij op 21 september 1998, vier maanden na de geboorte van [de zoon], is gehuwd. Dit huwelijk is door echtscheiding ontbonden.
(iv) Na deze echtscheiding heeft de man de vrouw weer ontmoet, waarna zij op 22 februari 2000 met elkaar zijn gehuwd. Bij beschikking van 24 mei 2002 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen hen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 30 augustus 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
(v) In juli 2002 hebben partijen een echtscheidingsconvenant gesloten, waarin onder meer is bepaald:
"Middels ondertekening van dit convenant verklaart de man uitdrukkelijk de ten behoeve van de minderjarige kinderen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te zullen blijven betalen op grond van de bepalingen van boek 1 BW, los van de wettelijke status die de kinderen momenteel hebben respectievelijk in de toekomst zullen krijgen, met uitzondering van de situatie dat de minderjarige kinderen door een andere man zullen worden erkend."
(vi) Bij de genoemde echtscheidingsbeschikking van 24 mei 2002 heeft de rechtbank naar aanleiding van het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant de man veroordeeld tot het betalen van een partneralimentatie van Euro 340,- per maand en bepaald dat de man Euro 340,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] en [de zoon].
3. Op 11 januari 2005 heeft de man ter griffie van de rechtbank 's-Hertogenbosch een verzoekschrift ingediend en daarbij de rechtbank (onder meer en voor zover thans in cassatie van belang) verzocht te bepalen dat zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van 7 maart 2005 is geëindigd. De man heeft daartoe aangevoerd dat het huwelijk van partijen niet langer dan vijf jaar heeft geduurd en dat daaruit geen kinderen zijn geboren, zodat ingevolge art. 1:157 lid 6 BW Pro zijn alimentatieplicht jegens de vrouw van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de duur van het huwelijk.
4. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man. Zij heeft betwist dat het huwelijk van partijen kinderloos is gebleven in de zin van art. 1:157 lid 6 BW Pro. Naar de ratio van deze bepaling moet worden aangenomen dat [de zoon] c.q. de kinderen "uit het huwelijk zijn geboren", aldus de vrouw.
5. Bij beschikking van 16 september 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is, nu vaststaat dat de man de biologische vader van [de zoon] is en gelet op hetgeen partijen in het convenant zijn overeengekomen, geen sprake van een kinderloos gebleven huwelijk.
6. De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Hij had succes: bij beschikking van 27 april 2006 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank vernietigd en vastgesteld dat de verplichting tot levensonderhoud van de vrouw van rechtswege is geëindigd op 7 maart 2005. Met betrekking tot de vraag of het huwelijk van partijen als kinderloos in de zin van art. 1:157 lid 6 BW Pro kan worden aangemerkt, overwoog het hof (r.o. 4.7):
"Tussen partijen is niet in geschil dat de man de biologische vader is van [de zoon], maar niet van [de dochter]. De man heeft de kinderen niet erkend. Of [de zoon] is geboren na een incidenteel contact of uit een relatie tussen partijen blijft onduidelijk. Vast staat dat de vrouw tijdens de laatste maanden van de zwangerschap van [de zoon] in ieder geval geen relatie had met de man maar met [betrokkene 1] met wie zij vier maanden na de geboorte van [de zoon] op 21 september 1998 is gehuwd, welk huwelijk door echtscheiding is ontbonden. De man heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij de vrouw na de echtscheiding met [betrokkene 1] weer heeft ontmoet, waarna partijen in het huwelijk zijn getreden. In die omstandigheden is het hof met de man van oordeel dat sprake is van een kinderloos gebleven huwelijk. Het hof laat hierbij zeer sterk meewegen dat de vrouw kort na de geboorte van [de zoon] in het huwelijk is getreden met een andere man, [betrokkene 1]."
7. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht de cassatiemiddelen ongegrond te verklaren.
8. Middel 1 keert zich tegen het oordeel van het hof dat het huwelijk van partijen als kinderloos in de zin van art. 1:157 lid 6 BW Pro moet worden aangemerkt. Het middel bevat, als ik het goed zie, twee klachten.
9. De eerste klacht houdt in dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat de man niet als vader van [de zoon] kan worden aangemerkt.
10. De klacht zal niet tot cassatie kunnen leiden.
11. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof ten onrechte heeft verondersteld dat de man niet de biologische vader van [de zoon] is, mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft in r.o. 4.7 overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de biologische vader is van [de zoon].
12. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof ten onrechte heeft verondersteld dat de man niet de vader van [de zoon] is in de zin van art. 1:199 BW Pro, is zij ongegrond. Het hof heeft immers, onbestreden in cassatie, vastgesteld dat de man [de zoon] niet heeft erkend, terwijl bovendien vaststaat dat de man op het tijdstip van de geboorte van [de zoon] niet met de vrouw was gehuwd. Waar uit de gedingstukken niet blijkt (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat is gesteld dat de man op enige andere in art. 1:199 BW Pro genoemde grond als vader van [de zoon] dient te worden beschouwd, kan de man niet worden aangemerkt als vader van [de zoon] in de zin van dat artikel.
13. De tweede klacht van het middel strekt ten betoge dat het hof, door te oordelen dat het huwelijk van partijen als kinderloos in de zin van art. 1:157 lid 6 BW Pro moet worden aangemerkt, art. 8 EVRM Pro, de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft geschonden.
14. De klacht geeft niet aan waarom het oordeel van het Hof in strijd is met de Richtlijn 2003/86/EG en/of met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De klacht voldoet in dit opzicht dan ook niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen en zal in zoverre geen doel kunnen treffen.
15. Voor zover de klacht het hof schending van art. 8 EVRM Pro verwijt, kan zij naar mijn oordeel evenmin tot cassatie leiden.
16. Geheel duidelijk is de klacht mij niet geworden. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof met het gewraakte oordeel heeft miskend dat het recht van [de zoon] op "family life" voor gaat boven het belang van de man en dat daarom de man wel degelijk als vader van [de zoon] dient te worden aangemerkt, faalt zij. De klacht, die dan kennelijk berust op de opvatting dat het bestaan van "family life" tussen [de zoon] en de man meebrengt dat de man jegens [de zoon] onderhoudsplichtig is, verliest uit het oog dat het gewraakte oordeel van het hof niet betrekking heeft op de vraag of de man jegens [de zoon] onderhoudsplichtig is, doch betrekking heeft op de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw.
17. Voor zover de klacht wil betogen dat reeds de omstandigheid dat tussen [de zoon] en de man "family life" bestaat voldoende is om aan te nemen dat [de zoon] is te beschouwen als een kind dat uit het huwelijk van partijen is geboren, berust zij op een onjuiste rechtsopvatting. Blijkens de parlementaire geschiedenis valt onder het begrip "uit het huwelijk geboren" zoals bedoeld in art. 1:157 lid 6 BW Pro niet slechts het geval dat een kind staande huwelijk geboren is, maar ook de daarmee gelijk te stellen gevallen dat een kind is geadopteerd of door de echtgenoot van de moeder is gewettigd en ook het geval dat een kind binnen 307 dagen na de ontbinding van het huwelijk is geboren. Zie Kamerstukken I 1988/89, 19 295, nr. 70, blz. 7. Zie ook Asser/De Boer 2006, nr. 633b. Hieruit blijkt dat het begrip "uit het huwelijk geboren" ruim dient te worden opgevat. Dit betekent echter niet dat reeds de enkele omstandigheid dat tussen de man en het kind van zijn echtgenote "family life" bestaat, voldoende is om aan te nemen dat het kind "uit het huwelijk geboren" is in de zin van art. 1:157 lid 6 BW Pro. Daartoe is in ieder geval vereist dat tussen de man en het kind van zijn echtgenote een familierechtelijke betrekking bestaat.
18. Middel 2 bestrijdt het oordeel van het hof dat het huwelijk van partijen als kinderloos in de zin van art. 1:157 lid 6 BW Pro moet worden aangemerkt, met de stelling dat het hof ten onrechte geen oog heeft gehad voor de inhoud van de relatie welke de man en de vrouw met elkaar hebben gehad. Het middel betoogt, kort gezegd, dat de relatie van partijen is aan te merken als een partnerschap dat na een korte onderbreking is omgezet in een huwelijk, zodat naar analogie van de wettelijke regeling inzake de omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk, [de zoon] geacht moet worden geboren te zijn uit het huwelijk van partijen in de zin van art. 1:157 lid 6 BW Pro.
19. Het middel faalt. Het ziet eraan voorbij dat, al aangenomen dat partijen in de periode voor de geboorte van [de zoon] een relatie hebben gehad die op één lijn zou kunnen worden gesteld met een geregistreerd partnerschap, deze relatie, nu de man [de zoon] niet heeft erkend, niet ertoe heeft geleid dat een familierechtelijke betrekking is ontstaan tussen de man en [de zoon]. Analoge toepassing van art. 1:80g lid 3 BW kan daarin geen verandering brengen.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden