ECLI:NL:PHR:2007:AZ7772
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens gebrek aan belang bij ondertoezichtstelling
De Raad voor de Kinderbescherming diende een verzoek tot ondertoezichtstelling in voor een minderjarig kind, waarbij de kinderrechter dit verzoek toewijsbaar achtte en de ondertoezichtstelling voor een jaar oplegde. De moeder ging hiertegen in hoger beroep, maar het hof bekrachtigde de beschikking. De moeder stelde vervolgens cassatieberoep in, dat niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de ondertoezichtstelling inmiddels was geëindigd, waardoor zij geen belang meer had bij cassatie.
De moeder voerde in hoger beroep aan dat de Nederlandse rechter onbevoegd was omdat het kind zijn gewone verblijfplaats in Frans Guyana zou hebben. Het hof verwierp dit en baseerde zich op de inschrijving in het gemeentelijke basisadministratie-register (GBA) te Utrecht, omdat de verblijfplaats niet met zekerheid vaststond.
De Hoge Raad overwoog dat noch de Brussel II-bis Verordening, noch het Haagse Kinderbeschermingsverdrag van toepassing waren omdat niet was vastgesteld dat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland of een andere lidstaat had. Volgens het oude art. 5 Rv Pro heeft de Nederlandse rechter alleen rechtsmacht indien het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Het hof had ten onrechte geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd was zonder vaststelling van de verblijfplaats.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en gaf een nadere toelichting op de rechtsmachtvraag in het internationaal privaatrecht betreffende ondertoezichtstellingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na afloop van de ondertoezichtstelling.