ECLI:NL:PHR:2007:AZ5830
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg begrip diefstal in de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen bij joyriding
Deze zaak betreft de uitleg van het begrip 'diefstal' in artikel 3 lid 1 van Pro de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM). Het geschil ontstond na een verkeersongeval waarbij een auto betrokken was die kort daarvoor was gestolen. De verzekeraar beriep zich op de uitsluiting van aansprakelijkheid wegens diefstal, terwijl de eiser betwistte dat sprake was van diefstal in de zin van de WAM omdat het vereiste oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbrak.
Het Hof Arnhem had geoordeeld dat ook het bedrieglijk wegnemen van een motorrijtuig voor kortstondig gebruik met de bedoeling het terug te geven (joyriding) onder het begrip diefstal valt, ongeacht het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De Hoge Raad stelt in deze conclusie dat deze uitleg te ruim is. De Hoge Raad benadrukt dat de WAM-uitzondering voor diefstal alleen van toepassing is indien het vereiste oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening aanwezig is.
De conclusie bespreekt uitvoerig de verhouding tussen de WAM en de Benelux-overeenkomst, de parlementaire geschiedenis, eerdere jurisprudentie waaronder het arrest Eerste Rotterdamsche/Overijsselsche, en het arrest Lenglet/S.A. Royale Belge van het Benelux Gerechtshof. De Hoge Raad overweegt dat de wetgever met de WAM een brede bescherming van verkeersslachtoffers beoogt en dat uitzonderingen op de verzekeringsplicht restrictief moeten worden uitgelegd.
Ten slotte wordt gewezen op de praktische gevolgen voor benadeelden en de rol van het Waarborgfonds. De conclusie adviseert het bestreden arrest te vernietigen vanwege de onjuiste uitleg van het begrip diefstal door het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad adviseert vernietiging van het arrest vanwege onjuiste uitleg van het begrip diefstal in art. 3 lid 1 WAM, waarbij het vereiste oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening noodzakelijk is.