ECLI:NL:PHR:2007:AZ4714

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00316/06
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bewezenverklaring onverzekerd rijden wegens onvoldoende motivering

Verdachte werd door het Hof Amsterdam veroordeeld voor het rijden zonder verzekering op 9 juli 2004 in Utrecht. Verdachte voerde aan dat niet zij, maar een ander (betrokkene 1) de auto bestuurde en daarbij haar persoonsgegevens gebruikte. Dit verweer werd door het hof in het midden gelaten, waardoor een onverenigbare mogelijkheid openbleef met de bewezenverklaring.

De Hoge Raad herhaalt dat een bewezenverklaring niet in stand kan blijven indien de rechter niet met redenen omkleed heeft uitgesloten dat een ander dan verdachte de overtreding beging, zeker wanneer het verweer niet strijdig is met de overige bewijsmiddelen. Het hof had de juistheid van het verweer onvoldoende onderzocht en gemotiveerd.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep. Tevens wordt verwezen naar eerdere jurisprudentie over het Meer en Vaart-verweer en dakdekkerverweren die vergelijkbare bewijsrechtelijke problemen behandelen.

Uitkomst: Arrest Hof Amsterdam vernietigd wegens onvoldoende motivering bewezenverklaring; zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 00316/06
Mr. Fokkens
Zitting 12 december 2006
Conclusie inzake
[Verdachte]
1. Verdachte is op 24 november 2005 door de Enkelvoudige Kamer van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens, kort gezegd, onverzekerd rijden, veroordeeld tot een geldboete van € 340,- (te betalen in vier maandelijkse termijnen van € 85,-) subsidiair zes dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, een schriftuur houdende een middel van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 00315/06, in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.
3. Het middel klaagt over de bewezenverklaring die gelet op een ter terechtzitting gevoerd verweer onvoldoende zou worden gesteund door de gebezigde bewijsmiddelen.
4. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat zij 'op 09 juli 2004 te Utrecht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Talmalaan, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden'.
5. Ter terechtzitting heeft verdachte aangevoerd dat niet zíj op 9 juli 2004 de onverzekerde personenauto bestuurde maar [betrokkene 1], die de personalia van verdachte aan de politie zou hebben gegeven en daarbij gebruik zou hebben gemaakt van verdaches verblijfsvergunning. Daardoor zou de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid open blijven, dat niet verdachte de bestuurster was.
6. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat verdachte in de samenhangende zaak (nr. 00315/06), eveneens op 24 november 2005 door de Enkelvoudige Kamer van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, is veroordeeld wegens onder meer het op 9 juli 2004, kort gezegd, rijden in een personenauto zonder het daarvoor vereiste rijbewijs. In die zaak heeft verdachte een verweer met dezelfde strekking gevoerd. Daarbij heeft haar raadsman, anders dan volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in de onderhavige zaak zou zijn geschied, ter ondersteuning ervan tevens verzocht om de betreffende verbalisanten en [betrokkene 1] als getuigen ter terechtzitting te horen. Dat onderzoek is bij de behandeling van die zaak afgewezen. In de samenhangende zaak wordt daarover geklaagd.
7. In het proces-verbaal van de terechtzitting waar de onderhavige zaak is behandeld, is de verklaring van verdachte als volgt weergegeven:
'Ik heb op 9 juli 2004 niet onverzekerd rondgereden dat was [betrokkene 1]. Ik kan helemaal niet rijden. Op dit moment ben ik met mijn rijbewijs bezig. Ik zat naast de bestuurder en tijdens de aanhouding ben ik in de auto blijven zitten. [Betrokkene 1] heeft toen mijn persoonsgegevens aan de politie gegeven. De politie heeft mij ook nog om legitimatie gevraagd. De auto is bij de aanhouding in beslag genomen.'
8. Blijkens hetzelfde proces-verbaal heeft de raadsman van verdachte het volgende aangevoerd:
'Cliënt heeft haar verblijfsdocument aan [betrokkene 1] gegeven. Het kan mijns inziens niet worden bewezen dat cliënt op 9 juli 2004 de bestuurder was.'
9. Het Hof heeft de juistheid van het verweer dat [betrokkene 1] de bestuurder was en de personalia van verdachte heeft gebruikt, in de bewijsvoering in het midden gelaten. Dat betekent dat de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd is (vgl. HR 2 oktober 1984, griffienr. 77.260 en HR 9 april 1985, griffienr. 77.971) en dat het middel slaagt.
10. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd met terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden