ECLI:NL:PHR:2007:AZ4413
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt redelijke vaststelling partner- en kinderalimentatie na echtscheiding
In deze zaak staat een geschil tussen voormalige echtelieden centraal over de vaststelling van partner- en kinderalimentatie na hun echtscheiding. De vrouw, geboren in 1961, vormt een eenoudergezin met hun zoon en heeft geen inkomen uit arbeid meer, maar volgt een studie. De man is werkzaam en heeft een aanzienlijk inkomen en vermogen. Na de echtscheiding stelde de rechtbank alimentatiebedragen vast, waarna het hof deze wijzigde en de partneralimentatie na verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op nihil stelde, vanwege de verdiencapaciteit van de vrouw en haar vermogen.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing, met klachten over de vastgestelde verdiencapaciteit, de berekening van het gezinsinkomen en de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld over de verdiencapaciteit van de vrouw, rekening houdend met haar arbeidsverleden, leeftijd en zorg voor het kind. Ook de berekening van het gezinsinkomen en de draagkrachtverdeling zijn begrijpelijk en niet onredelijk.
De Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling van draagkracht en behoefte aan de feitenrechter is voorbehouden en dat motiveringsvereisten niet te zwaar mogen zijn. De alimentatieverplichting is niet definitief beëindigd, maar de uitkering op nihil gesteld in afwachting van de verdeling van het huwelijksvermogen. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het hofbesluit over partner- en kinderalimentatie bevestigd.