ECLI:NL:PHR:2007:AZ4077
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevel bloedonderzoek bij vermoeden invloed van andere stoffen dan alcohol
In deze zaak stond de vraag centraal of een bevel tot bloedonderzoek terecht kon worden gegeven aan een verdachte die weigerde mee te werken aan een ademonderzoek, terwijl er een vermoeden bestond dat hij onder invloed was van andere stoffen dan alcohol.
De verdachte werd veroordeeld voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, waaronder het niet meewerken aan een bloedproef. Zijn raadsman voerde aan dat het bevel onrechtmatig was omdat er onvoldoende reden was voor het vermoeden van invloed van andere stoffen dan alcohol, en dat het verzoek van de verdachte om eerst een arts te spreken niet mocht worden geweigerd.
Het hof oordeelde dat het vermoeden van invloed van andere stoffen gerechtvaardigd was, onder meer vanwege het gedrag van de verdachte en het aantreffen van recepten voor zware medicijnen. Het verzoek om een arts onder vier ogen te spreken werd gelijkgesteld aan een weigering mee te werken aan het bloedonderzoek.
De Hoge Raad bevestigde deze uitleg van de Wegenverkeerswet 1994, met name artikel 163, en oordeelde dat het bevel tot bloedonderzoek ook kan worden gegeven indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een combinatie van alcohol en andere stoffen. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: Het bevel tot bloedonderzoek was rechtmatig en het cassatieberoep werd verworpen.