ECLI:NL:PHR:2007:AZ4077

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00044/06
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 163 WVW 1994Art. 8 WVW 1994Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel bloedonderzoek bij vermoeden invloed van andere stoffen dan alcohol

In deze zaak stond de vraag centraal of een bevel tot bloedonderzoek terecht kon worden gegeven aan een verdachte die weigerde mee te werken aan een ademonderzoek, terwijl er een vermoeden bestond dat hij onder invloed was van andere stoffen dan alcohol.

De verdachte werd veroordeeld voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, waaronder het niet meewerken aan een bloedproef. Zijn raadsman voerde aan dat het bevel onrechtmatig was omdat er onvoldoende reden was voor het vermoeden van invloed van andere stoffen dan alcohol, en dat het verzoek van de verdachte om eerst een arts te spreken niet mocht worden geweigerd.

Het hof oordeelde dat het vermoeden van invloed van andere stoffen gerechtvaardigd was, onder meer vanwege het gedrag van de verdachte en het aantreffen van recepten voor zware medicijnen. Het verzoek om een arts onder vier ogen te spreken werd gelijkgesteld aan een weigering mee te werken aan het bloedonderzoek.

De Hoge Raad bevestigde deze uitleg van de Wegenverkeerswet 1994, met name artikel 163, en oordeelde dat het bevel tot bloedonderzoek ook kan worden gegeven indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een combinatie van alcohol en andere stoffen. Het beroep van de verdachte werd verworpen.

Uitkomst: Het bevel tot bloedonderzoek was rechtmatig en het cassatieberoep werd verworpen.

Conclusie

Griffienr. 00044/06
Mr. Wortel
Zitting:5 december 2006
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker, voor zover de zaak aan het oordeel van het Hof was onderworpen, wegens (1) "mishandeling" en (3) "overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994" alsmede "overtreding van art. 9, zevende lid van de Wegenverkeerswet 1994" is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een geldboete van € 1.500, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof verzoeker de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van negen maanden.
2. Namens verzoeker heeft mr C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.
3. Het eerste middel keert zich tegen de beslissing op een in hoger beroep gevoerd verweer, dat in de bestreden uitspraak als volgt is samengevat en verworpen:
"Door de raadsman van de verdachte is het navolgende gesteld.
I. Ik verzoek uw hof mijn cliënt vrij te spreken van het met parketnummer 02/017923-03 onder 3 ten laste gelegde feit. Primair ben ik van oordeel dat cliënt bevolen is mee te werken aan een bloedproef terwijl er onvoldoende reden was om te vermoeden dat cliënt onder invloed verkeerde van een andere stof dan alcohol. Na de weigering door mijn cliënt mee te werken een ademanalyse, had de politie moeten stoppen. Het enkel aantreffen van recepten voor medicijnen was onvoldoende grond om te vermoeden dat mijn cliënt onder invloed verkeerde van iets anders dan drank. De enkele mededeling van de GGD-arts dat het recepten voor "zware medicijnen" betrof, bood geen aanknopingspunt voor dat vermoeden. Dat het medicijnen betroffen voor een ernstige aandoening houdt niet automatisch in dat deze medicijnen de rijvaardigheid van mijn cliënt zouden beïnvloeden. Het bevel tot medewerking aan een bloedproef had in de gegeven omstandigheden niet gegeven mogen worden.
Subsidiair merk ik op dat het mijn cliënt het verzoek heeft gedaan een arts onder vier ogen te spreken. De aandoeningen waaraan mijn cliënt leed en nog steeds lijdt, vallen onder het medisch geheim en rechtvaardigden zijn verzoek een arts te spreken. Het betrof een redelijk verzoek dat niet geweigerd had mogen worden. De gevolgde procedure is niet zorgvuldig geweest.
(...)
Het hof overweegt als volgt.
I. Anders dan door de raadsman is betoogd, bestond er geen reden met het onderzoek naar gebruik van stoffen die de rijvaardigheid mogelijk beïnvloedden te stoppen ná de weigering van de verdachte om mee te werken aan een ademanalyse. De ademanalyse is slechts bestemd om te onderzoeken of er alcohol genuttigd is. Het hof is van oordeel dat op basis van het proces verbaal van politie 22 juli 2003 (doorgenummerde pag. 35) een gerechtvaardigd vermoeden bestond dat de verdachte ook onder invloed verkeerde van andere stoffen dan alcohol. Het proces-verbaal vermeldt samengevat en zakelijk weergegeven: door de verbalisanten werd overgegaan tot een bloedonderzoek omdat uit de recepten van huisartsen e.d. die de verdachte bij zich had, bleek dat de verdachte gebruiker was van medicijnen, welke volgens de arts (het hof begrijpt dat dit de arts is die op het politiebureau kwam voor het verrichten van een bloedonderzoek) zware medicijnen betroffen die om de zes uur ingenomen moesten worden.
Voorts vertoonde de verdachte recalcitrant en ontremd gedrag. Naar het oordeel van het hof is dit voldoende om genoemd vermoeden te doen ontstaan.
Voorts overweegt het hof dat uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat de verdachte als voorwaarde bij medewerking aan een bloedonderzoek heeft gesteld dat hij met een arts een gesprek onder vier ogen zou mogen voeren. Het verbinden van een voorwaarde bij het meewerken aan een bloedonderzoek is gelijk te stellen aan een weigering daaraan mee te werken. Overigens overweegt het hof dat het verzoek een arts onder vier ogen te spreken, niet is op te vatten als een beroep op een bijzondere geneeskundige reden tot weigering van medewerking aan een bloedproef zoals bedoeld in artikel 163, lid 7 van de Wegenverkeerswet 1994
(...)
Het hof verwerpt de verweren."
4. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de verbalisanten geen (steekhoudende) aanwijzingen hadden voor invloed van een andere stof dan alcohol. Daarom zou het Hof, nu de verbalisanten evenmin werden geconfronteerd met een medisch beletsel voor het ondergaan van een ademonderzoek, hebben moeten oordelen dat verzoeker onrechtmatig is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen.
5. In art. 8, leden 2, 3 en 4, WVW 1994 is verboden een voertuig te besturen na gebruik van een zodanige hoeveelheid alcohol dat bij een adem- of bloedonderzoek de daar genoemde percentages worden gehaald.
In het eerste lid van art. 8 WVW Pro 1994 is evenwel ook verboden een voertuig te besturen na gebruik van een stof die, al dan niet in combinatie met een andere stof, de rijvaardigheid kan beïnvloeden, mits de betrokkene weet of redelijkerwijs kan weten dat hij in die mate onder invloed van die stof verkeert dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat is.
6. Een redelijke uitleg van het vierde lid, laatste volzin, van art. 163 WVW Pro 1994 brengt mee dat in die bepaling de zinsnede "vermoeden (...) dat de verdachte onder invloed van een andere in artikel 8, eerste lid, bedoelde stof dan alcoholhoudende drank verkeert" moet worden opgevat als een vermoeden dat de verdachte hetzij verkeert onder invloed van een of meer andere stoffen dan alcohol die, al dan niet in combinatie, de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden, hetzij verkeert onder invloed van minstens één van die andere stoffen én alcohol, terwijl de combinatie daarvan de rijvaardigheid kan beïnvloeden.
7. Een andere uitleg van deze in art. 163, lid 4, WVW 1994 opgenomen volzin zou immers meebrengen dat er geen zelfstandige mogelijkheid is om na te gaan of de combinatie van alcohol en een andere stof de rijvaardigheid heeft verminderd. Die vaststelling zou dan slechts gedaan kunnen worden ingeval naar het bloedonderzoek moet worden uitgeweken omdat een ademonderzoek wegens bijzondere medische redenen onmogelijk is, dan wel (ondanks verdachtes medewerking) is mislukt.
8. Er is geen reden om aan te nemen dat de wetgever met het eerste lid van art. 8 WVW Pro 1994 niet het oog heeft gehad op de situatie waarin het vermoeden rijst dat de rijvaardigheid is afgenomen door een combinatie van alcohol en medicijnen, zoals in deze zaak aan de orde was. Dat noopt ertoe de laatste volzin van het vierde lid van art. 163 WVW Pro 1994 uit te leggen in de hierboven genoemde zin. In een dergelijk geval mag het bevel, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, derhalve ook gegeven worden aan degene die heeft geweigerd aan een ademonderzoek mee te werken.
9. Deze bepaling aldus verstaan geeft de verwerping van het verweer geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is zij ook niet onbegrijpelijk te noemen.
10. In het tweede middel wordt het onjuist en/of onbegrijpelijk genoemd dat het Hof verzoekers verlangen eerst een arts te raadplegen heeft aangemerkt als het stellen van een ontoelaatbare voorwaarde voor medewerking aan het bloedonderzoek.
11. Blijkens zijn tot bewijs gebezigde verklaring heeft verzoeker om een onderhoud met een arts gevraagd vóórdat hij "eventueel toestemming zou geven" voor een bloedpunctie. 's Hofs oordeel dat verzoeker zijn medewerking afhankelijk heeft gesteld van het inwilligen van een voorwaarde is niet onbegrijpelijk.
12. Voor zover het middel aldus moet worden verstaan dat het Hof verzoekers verlangen éérst een arts te spreken had behoren op te vatten als een beroep op een bijzonder geneeskundig beletsel voor het afnemen van bloed faalt het omdat nergens uit blijkt dat verzoeker heeft gepoogd de verbalisanten duidelijk te maken welke aandoening of medische complicatie het afnemen van bloed onmogelijk zou maken.
13. De middelen falen en lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,