ECLI:NL:PHR:2007:AZ3309
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid en rechtmatigheid van verwijderingsbevel spoorwegpolitie
Op 21 november 2003 werd verdachte op het Centraal Station Amsterdam aangehouden wegens het niet opvolgen van een verwijderingsbevel dat door een hoofdagent van de Spoorwegpolitie was gegeven. Dit bevel was gebaseerd op artikel 7 van Pro het Algemeen Reglement Vervoer (ARV), dat voorschrijft dat een ieder aanwijzingen betreffende orde, rust, veiligheid of goede bedrijfsgang op het spoor moet opvolgen.
De verdediging voerde aan dat het bevel niet rechtmatig was omdat het niet was gegeven op grond van een wettelijk voorschrift en omdat de Spoorwegpolitie als privaatrechtelijke instantie geen ambtelijke bevoegdheid heeft. Het hof oordeelde dat het bevel bevoegd was gegeven op basis van artikel 2 Politiewet Pro 1993 en het mandaat van NS Reizigers BV en NS Stations BV, en wees het bezwaar af.
De Hoge Raad stelde echter vast dat artikel 2 Politiewet Pro 1993 geen voldoende wettelijke grondslag biedt voor een langdurig verwijderingsverbod en dat het bevel niet kon worden toegerekend aan een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht in de zin van artikel 184 Sr Pro. De Spoorwegwet 1875 en het ARV bieden geen expliciete bevoegdheid aan opsporingsambtenaren om dergelijke bevelen te geven. De Hoge Raad verklaarde daarom het bezwaarschrift gegrond en stelde verdachte buiten vervolging.
Uitkomst: Verdachte wordt buiten vervolging gesteld wegens het ontbreken van een rechtsgeldige basis voor het verwijderingsbevel.