ECLI:NL:PHR:2007:AZ2479
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schending redelijke termijn en vermindert werkstraf wegens langdurige procedure
In deze strafzaak werd verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van circa 2005 hennepplanten en diefstal van elektriciteit ten behoeve van een hennepkwekerij. De zaak speelde zich af in Schellinkhout en betrof een professionele hennepkwekerij op de zolder van de boerderij van verdachte.
De procedure kende een langdurige duur; de inleidende dagvaarding werd betekend op 29 augustus 2001, terwijl het arrest van het hof pas op 3 oktober 2005 werd uitgesproken. Het hof oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden omdat de overschrijding van de inzendtermijn gecompenseerd kon worden door de totale duur van het proces. Wel werd rekening gehouden met de lange duur door de werkstraf te verminderen van 180 naar 120 uur.
De verdediging stelde dat het OM niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat de overschrijding van de inzendtermijn gecompenseerd kon worden door de totale duur, aangezien de zaak in hoger beroep bijna 3 jaar en 10 maanden duurde. De Hoge Raad bevestigde dat sprake was van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep, maar vond dat dit geen aanleiding gaf tot niet-ontvankelijkheid van het OM.
De Hoge Raad besloot om de zaak zelf af te doen en bevestigde de strafvermindering die het hof had toegepast vanwege de langdurige procedure. Daarmee werd de werkstraf van 180 uur verminderd tot 120 uur, en werd het verzoek tot niet-ontvankelijkheid van het OM afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de schending van de redelijke termijn maar handhaaft de strafvermindering tot 120 uur werkstraf zonder niet-ontvankelijkheid van het OM.