1. In rov. 3.4.4 stelt de Rechtbank haar behoefte vast op ongeveer € 1.900,- bruto per maand, in welke behoefte wordt voorzien met het van Dutchmed te ontvangen bedrag van € 22.852,- bruto per jaar.
2. Zie in dit verband: HR 7 december 2001, RvdW 2001, 197; HR 5 november 1999, NJ 2000, 65; HR 26 april 1991, NJ 1992, 407 (JBMV). Voorts nog: Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 33; Snijders-Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 183.
3. Dat is te begrijpen. Indien Dutchmed nalaat haar te betalen, moet zij Dutchmed aanspreken hoewel zij geen echt dienstverband met deze vennootschap heeft.
4. Waardoor aan grief 3 in het principaal beroep per saldo een verdergaande strekking is toe te kennen dan deze op het eerste oog lijkt te hebben.
5. Het rapport is te vinden op de website van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak: www.nvvr.org, rubriek Adviezen en publicaties. Zie in verband met het rapport de conclusie, sub 2.8 t/m 2.10, van A-G Keus voor HR 22 september 2006, RvdW 2006, 880, JOL 2006, 529 en rechtspraak.nl, LJN AX6739/R05/140HR.
6. De Hoge Raad formuleerde de regel in een geval waarin wijziging van een eerder door de rechter vastgestelde alimentatieverplichting werd verzocht wegens vermindering van inkomen. Het valt echter niet in te zien dat de regel niet zou gelden in een geval waarin voor de eerste maal de alimentatieverplichting wordt vastgesteld.
7. In het feit dat een onderhoudsplichtige vanwege een 'herstelbare' inkomenvermindering wat besteedbaar inkomen betreft even onder de bodem zakt, hoeft de rechter geen aanleiding te vinden om de alimentatie op een lager bedrag te stellen; zie HR 23 november 2001, NJ 2002, 280 (JdB). Anders gezegd, de rechter mag tot het besteedbaar inkomen ook rekenen inkomen dat de onderhoudsplichtige geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven.
8. Zie voor een samenvattend overzicht dienaangaande: conclusie van A-G Wesseling-van Gent voor HR 23 januari 2004, JOL 2004, 23 en rechtspraak.nl, LJN: AN8077/RO3/043HR.
9. Zie o.m. HR 10 juni 2005, JOL 2005, 348, rechtspraak.nl, LJN: AT2452/R04/091HR en HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495, rov. 3.3.
10. Aldus de Hoge Raad onlangs nog in zijn uitspraak van 22 september 2006, NJ 2006, 520, rov. 3.5.
11. Bedoeld wordt: het totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.
12. Aan dit gegeven verbindt de Hoge Raad een strenge(re) motiveringseis in gevallen waarin de beslissing leidt tot een min of meer onherroepelijk verval van het recht op alimentatie. Zie bijvoorbeeld de recente uitspraak HR 29 september 2006, rechtspraak.nl LJN: AY7000/R05/064HR.
13. Een onderschrijding kan op zijn plaats zijn, wanneer aan de onderhoudsplichtige duidelijk een verwijt is te maken dat zijn besteedbaar inkomen onder de 90% - norm ligt. Zie HR 23 januari 1998, NJ 1998, 707 (JdB), rov. 3.3, derde alinea.
14. In appel heeft de man betoogd niet in staat te zijn de door de vrouw verlangde alimentatiebijdrage te dragen, maar dat betoog stoelt mede op stellingen omtrent zijn inkomsten - bijvoorbeeld dat hij geen dividend meer ontvangt - die het Hof niet voor juist heeft gehouden. Er zijn door de man in appel ook geen nieuwe draagkrachtberekeningen in het geding gebracht, waarbij - subsidiair - van de juistheid van de stellingen van de vrouw omtrent zijn inkomen wordt uitgegaan en die aantonen dat ook dan er bij de man een bepaald onvoldoende draagkracht bestaat.