ECLI:NL:PHR:2007:AX7231
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over bijdragen Europees Parlement aan aanvullend pensioen van Nederlands lid
Belanghebbende was lid van het Europees Parlement van 1979 tot 1999 en nam deel aan een vrijwillige pensioenregeling waarbij het Europees Parlement twee derde van de pensioenbijdragen betaalde. Hij gaf deze bijdragen niet aan in zijn Nederlandse belastingaangiften. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op over de jaren 1994 tot en met 1999. Het Hof verklaarde de aanslagen over 1994, 1995 en 1999 deels gegrond en wees andere beroepen af.
In cassatie stond centraal of de bijdragen van het Europees Parlement aan het vrijwillig aanvullend pensioen als belastbare inkomsten uit arbeid moeten worden beschouwd, of de premies aftrekbaar zijn, en of dubbele belastingheffing door België en Frankrijk kan worden voorkomen. De Hoge Raad bevestigde dat de bijdragen belastbaar zijn als inkomsten uit arbeid onder artikel 22, lid 1, sub b, van de Wet IB 1964. De premies zijn niet aftrekbaar. Bovendien oordeelde de Hoge Raad dat België en Frankrijk geen heffingsrecht hebben over deze inkomsten vanwege de diplomatieke immuniteiten die europarlementariërs genieten.
De Hoge Raad verwierp de bezwaren van belanghebbende tegen navordering en bevestigde dat het vertrouwen, gelijkheidsbeginsel en het EG-verdrag geen belemmering vormen voor de belastingheffing. De waardering van de aanspraken mag worden gesteld op de waarde van de door het Europees Parlement betaalde bijdragen. De uitspraak onderstreept de bijzondere fiscale positie van europarlementariërs en de toepassing van internationale verdragen en nationale wetgeving op hun pensioenbijdragen.
Uitkomst: Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de belastingheffing over de pensioenbijdragen van het Europees Parlement.