1 J.G. Klaassen, De successiewet, vijfde druk, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1936, blz. 124-125.
2 H. Schuttevâer en J.W. Zwemmer, De Nederlandse successiewetgeving, vijfde druk, Fiscale Hand- en Studieboeken, Kluwer, Deventer 1998, blz. 171.
3 PW nr. 15 496.
4 H. Schuttevâer en J.W. Zwemmer, a.w., blz. 184.
5 H. Schuttevâer en J.W. Zwemmer, a.w., blz. 184.
6 R.T.G. Verstraaten, Cursus Belastingrecht (Successiebelastingen), Studenteneditie 2004-2005, Kluwer, Deventer 2004, blz. 137.
Zie ook HR 20 juni 1962, nr. 14 834, BNB 1962/273.
7 R.T.G. Verstraaten, a.w., blz. 137.
8 I.J.F.A. van Vijfeijken, Successiewet, Fiscaal commentaar, Kluwer, Deventer 1998, blz. 133.
9 Vgl. H.P.A.M. van Arendonk en H.A.F. Verbrugge, De nieuwe Successiewet 1956, Fiscaal Actueel, Kluwer, Deventer 1985, blz. 20.
Zie voor een - uitgebreid - overzicht van de voor deze periode gewezen jurisprudentie Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Successiewet 1956, art. 21, aantekening 15.15.1.
10 Brief van de staatssecretaris van 7 juni 1966, nr. D 6/4010, opgenomen onder Hof 's-Gravenhage 12 mei 1966, BNB 1966/246.
11 Brief van de staatssecretaris van 22 mei 1969, nr. D69/4619, opgenomen onder Hof 's-Gravenhage 29 april 1969, BNB 1970/95.
12 H. Schuttevâer en J.W. Zwemmer, a.w., blz. 184-185.
13 H. Schuttevâer en J.W. Zwemmer, a.w., blz. 185.
14 Vgl. H.P.A.M. van Arendonk en H.A.F. Verbrugge, a.w., blz. 20.
15 R.T.G. Verstraaten, De Nederlandse successiebelastingen, zevende druk, Gouda Quint, Arnhem 1999, blz. 218.
16 H.P.A.M. van Arendonk en H.A.F. Verbrugge, a.w., blz. 20 (en blz. 21). Zie tevens MvT, Kamerstukken II 1981, 17 041, nr. 3, blz. 6 en 7.
17 MvT, Kamerstukken II 1981, 17 041, nr. 3, blz. 6 en 7.
18 MvT, Kamerstukken II 1981, 17 041, nr. 3, blz. 6 en 7.
19 Bij Wet van 8 november 1984, Stb. 1984, 545.
20 MvT, Kamerstukken II 1981, 17 041, nr. 3, blz. 15 en 16.
21 Vgl. R.T.G. Verstraaten, De Nederlandse successiebelastingen, zevende druk, Gouda Quint, Arnhem 1999, blz. 197.
22 I.J.F.A. van Vijfeijken, Successiewet, Fiscaal commentaar, Kluwer, Deventer 1998, blz. 130.
23 H. Schuttevâer en J.W. Zwemmer, a.w., blz. 172.
24 Vgl. R.T.G. Verstraaten, De Nederlandse successiebelastingen, zevende druk, Gouda Quint, Arnhem 1999, blz. 197.
25 R.T.G. Verstraaten, Cursus Belastingrecht (Successiebelastingen), Studenteneditie 2004-2005, Kluwer, Deventer 2004, blz. 137.
26 Kamerstukken II 1981/82, 17 041, nr. 5.
27 Kamerstukken II 1983/84, 17 041, nr. 11. Zie ook H.P.A.M. van Arendonk en H.A.F. Verbrugge, a.w., blz. 22.
28 Tweede NvW, Kamerstukken II 1983/84, 17 041, nr. 11, blz. 3-5.
29 R.T.G. Verstraaten, De Nederlandse successiebelastingen, zevende druk, Gouda Quint, Arnhem 1999, blz. 223.
Vgl. ook: J.A. van Mourik, Rechtssfeerwaarde en Successiewet 1956, in: Van wet naar recht: opstellen aangeboden aan prof. mr. J.P. Scheltens, Kluwer, Deventer 1984, blz. 123-134.
30 M.J.A. van Mourik en L.C.A. Verstappen, Handboek voor het Nederlands vermogensrecht bij echtscheiding, derde druk, W.E.J. Tjeenk Willink, Deventer 1997, blz. 311-312.
31 I.J.F.A. van Vijfeijken, Verkrijging hoofdverblijf: waarde bewoond of onbewoond?, NTFR 2004/1816. Zie daarover tevens: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Wet op de vermogensbelasting 1964, art. 9, aantekening 60 (m. Jurisprudentie burgerlijk recht inzake boedelscheiding).
32 De warme, de koude en de dode hand, Rapport van de werkgroep modernisering successiewetgeving, Ministerie van Financiën, 's-Gravenhage 2000, blz. 21-22.
33 Kabinetsstandpunt inzake het rapport van de werkgroep modernisering successiewetgeving, Ministerie van Financiën, 's-Gravenhage 2000.
34 MvT, Kamerstukken II 2001/02, 28 015, nr. 3, blz. 37.
35 NV, Kamerstukken II 2001/02, 28 015, nr. 6, blz. 16.
36 Nader rapport, Kamerstukken II 2001/02, 28 015, A, blz. 16.
37 NV, Kamerstukken II 2001/02, 28 015, nr. 6, blz. 16 en 17.
38 Besluit Staatssecretaris van Financiën 19 augustus 2002, nr. CPP2002/1372M, V-N 2002/42.25.
39 NTFR 2004/1108. Zie over deze uitspraak het artikel van P.J.M. Meertens en M. de L. Monteiro, Waardering van de woning voor het successierecht, VP-bulletin 2004/9, blz. 14. Zij merken op dat in deze zaak geen beroep is gedaan op de toepassing van het goedkeuringsbesluit van 19 augustus 2002, nr. CPP2002/1372M.
Zie ook M.J. Hamer, Wat te doen met de tot de nalatenschap behorende eigen woning?, FBN 2004/12, blz. 7.
40 NTFR 2004/1464.
41 V-N 2004/57.28, NTFR 2004/1179.
42 V-N 2004/61.1.7, NTFR 2004/1827.
43 NTFR 2005/1365.
44 Zie r.o. 6.6.
45 T. Blokland, Partiële herziening van de Successiewet 1956, FED 2001/513.
46 I.J.F.A. van Vijfeijken, De voorgestelde herzieningen van de Successiewet 1956, WFR 2001/6452.
47 I.J.F.A. van Vijfeijken, Ontwikkelingen in de Successiewet, WPNR 2002/6478, blz. 181.
48 Vgl. R.T.G. Verstraaten, Cursus Belastingrecht (Successiebelastingen), Studenteneditie 2004-2005, Kluwer, Deventer 2004, blz. 159-160.
49 I.J.F.A. van Vijfeijken, Verkrijging hoofdverblijf: waarde bewoond of onbewoond?, NTFR 2004/1816.
50 R.T.G. Verstraaten, Waardering van de eigen woning voor het successierecht, WPNR 2005/6607, blz. 90.
51 N.J. Schutte, De waardering van de eigen woning, WPNR 2005/6634, blz. 696-697.
52 NTFR 2005/1541, blz. 8.
53 V-N 2005/56.4.
54 MvT van minister Treub bij de Wet van 27 juli 1918, Stb. 504, ad art. 7 (bijlagen Tweede Kamer 1915/16, nr. 205).
55 Vgl. Hof 's-Hertogenbosch, 2 juni 1958, nr. 556/1957, BNB 1959/204 en Hof 's-Gravenhage, 18 maart 1959, V-N 1960, blz. 134 evenals Hof Amsterdam 26 maart 1959, WFR 4453/417.
56 Zie de brief van 20 oktober 1958, no. B8-3897.
57 Zie ook voetnoot 49.
58 Van Soest Belastingen, 18e druk, Gouda Quint, Arnhem 1995, blz. 401.
59 Vgl. Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, Wet op de vermogensbelasting 1964, art. 9, aantekening 60.
60 D.E. Witteveen, De nieuwe Vermogensbelasting, Gouda Quint BV, Arnhem 1981, blz. 87.
61 Zie noot 60.
62 H. Schuttevâer en J.W. Zwemmer, a.w., blz. 184.
63 Mijn noot: H. Schuttevâer, De ongrijpbare (?) 'verkoopwaarde', in: Onroerend-goedbundel (opstellen geschreven ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Broederschap der notarissen in Nederland), 1968, blz. 283-309.
64 J. Verburg in zijn noot bij BNB 1980/236*.
65 I.J.F.A. van Vijfeijken, Verkrijging hoofdverblijf: waarde bewoond of onbewoond?, NTFR 2004/1816.
Vgl. ook A.J.M. Arends, Fiscaal commentaar, Vermogensbelasting, Kluwer, Deventer 1999, blz. 128: "Men moet immers een dak boven zijn hoofd hebben."
66 Van Soest Belastingen, 18e druk, Gouda Quint, Arnhem 1995, blz. 401.
67 D.E. Witteveen, De nieuwe Vermogensbelasting, Gouda Quint BV, Arnhem 1981, blz. 88-89.
68 J.E.A.M. van Dijck, Fiscale waardebegrippen, oratie, Kluwer, Tilburg 1963, blz. 42.
69 M. Drukker, Beschouwingen over de Successiewet 1956, Fed, Amsterdam 1957, blz. 123.
70 I.J.F.A. van Vijfeijken, a.w., blz. 131.
71 Idem: H. Schuttevâer, De verkrijging door erfrecht, in: Smeetsbundel, Deventer, Kluwer 1967, blz. 315: "(...) geleidelijk [is] de gedachte doorgedrongen dat de problematiek inz. de waardebepaling bij de successiewetgeving aanzienlijk ingewikkelder is dan bij de vermogensbelasting. De voornaamste reden ligt in het feit dat de vermogensbelasting een vermogen in rust treft, de successiebelasting een vermogen in beweging."
72 H. Schuttevâer en J.W. Zwemmer, a.w., blz. 175.
73 J. Hoogendoorn in zijn noot bij BNB 1992/286*.
74 J.E.A.M. van Dijck en G.T.K. Meussen, Waarde in het economische verkeer, Fed fiscale brochures, Kluwer, Deventer 2004, blz. 129.
75 J.E.A.M. van Dijck en G.T.K. Meussen, a.w., blz. 130-131. Vgl. ook J.E.A.M. van Dijck, Fiscale waardebegrippen, oratie, Kluwer, Tilburg 1963, blz. 42:
"Ook voor het successierecht zal men zich mitsdien moeten afvragen welke gebruiksmogelijkheden de verkrijger heeft met betrekking tot de verkregen goederen en welke optimale opbrengst hij hiervan zal mogen verwachten. De waarde zal echter niet hoger kunnen zijn dan het offer, dat de verkrijger zou moeten brengen om de goederen zelf te kopen."
76 J.E.A.M. van Dijck en G.T.K. Meussen, a.w., blz. 5-6.
77 I.J.F.A. van Vijfeijken, Verkrijging hoofdverblijf: waarde bewoond of onbewoond?, NTFR 2004/1816.
78 I.J.F.A. van Vijfeijken in haar noot bij BNB 2005/320*.
79 N.C.G. Gubbels en M.J. Hoogeveen, Overdracht van de onderneming en schenking (1), WFR 2005/6615.
80 Na de publicatie van deze uitspraak heerste er in de praktijk nog onduidelijkheid over de wijze van invulling van de waarde bewoond. In het Besluit van 16 mei 2001, nr. CPP2001/1381, BNB 2001/367, V-N 2001/30.16, beoogt de staatssecretaris tot een praktische werkwijze te komen om deze waarde te bepalen.
Vgl. ook J.E.A.M. van Dijck en G.T.K. Meussen, Waarde in het economische verkeer, Fed fiscale brochures, Kluwer, Deventer 2004, blz. 113.
Zie bijv. ook Hof Arnhem, 22 september 2005, nr. 05/00187, NTFR 2005/1542.
81 J.W. Zwemmer in zijn noot bij HR 14 juni 2000, nr. 35 550, BNB 2000/270*.
82 J.E.A.M. van Dijck en G.T.K. Meussen, Waarde in het economische verkeer, Fed fiscale brochures, Kluwer, Deventer 2004, blz. 113.
83 I.J.F.A. van Vijfeijken, Verkrijging hoofdverblijf: waarde bewoond of onbewoond?, NTFR 2004/1816. Zie ook N.J. Schutte, De waardering van de eigen woning, WPNR 2005/6634.
84 Vgl. over deze specifieke regeling L.G.M. Stevens e.a., Fiscaal commentaar, Inkomstenbelasting, 2004, Kluwer, Deventer 2004, blz. 567-568.
85 Vgl. T. Blokland, Partiële herziening van de Successiewet 1956, FED 2001/513, onderdeel 6.
86 Vgl. ook de toelichting op het amendement van het lid van de Tweede Kamer Schutte, TK, 26 727, nr. 11,
V-N BP21/7.2, blz. 2408-2409.
87 Voor het bepalen van de woningwaarde is art. 3.19, derde en vierde lid, Wet inkomstenbelasting 2001 van overeenkomstige toepassing verklaard. In die bepalingen is - kort samengevat - vastgelegd dat met de woning-waarde wordt bedoeld de WOZ-waarde van de woning.
88 Zie noot 86.
89 I.J.F.A. van Vijfeijken, Verkrijging hoofdverblijf: waarde bewoond of onbewoond?, NTFR 2004/1816.
"Deze per 1 januari 2001 ingevoerde regeling beoogt de discussies over de omvang van het waardedrukkend effect door zelfbewoning in de kiem te smoren." Vgl. L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, eerste druk, Fiscale Hand- en Studieboeken, Kluwer, Deventer 2001, blz. 380.
90 Vgl. J.K. Moltmaker, Belastingen van rechtsverkeer, vijfde herziene druk, FM nr. 25, Kluwer, Deventer 1993, blz. 49.
91 N.J. Schutte, De waardering van de eigen woning, WPNR 2005/6634, blz. 691.
92 Vgl. J.K. Moltmaker, Belastingen van rechtsverkeer, vijfde herziene druk, FM nr. 25, Kluwer, Deventer 1993, blz. 49.
93 Laijendekker in zijn noot bij HR 7 juni 1989, nr. 26 133, BNB 1989/239*.
94 I.J.F.A. van Vijfeijken, Verkrijging hoofdverblijf: waarde bewoond of onbewoond?, NTFR 2004/1816.
95 J.K. Moltmaker, Belastingen van rechtsverkeer, vijfde herziene druk, FM nr. 25, Kluwer, Deventer 1993, blz. 51.
96 N.J. Schutte, De waardering van de eigen woning, WPNR 2005/6634, blz. 691.
Vgl. tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie, artikel 52, aantekening 17. Niet aan huur of pachtovereenkomst ontleende woon- of gebruiksrechten.
97 N.J. Schutte, De waardering van de eigen woning, WPNR 2005/6634, blz. 691-692.
98 Kamerstukken II 1993/94, 22 885, nr. 36, blz. 44.
99 J.E.A.M. van Dijck en G.T.K. Meussen, Waarde in het economische verkeer, Fed fiscale brochures, Kluwer, Deventer 2004, blz. 137.
100 I.J.F.A. van Vijfeijken, Successiewet, Fiscaal commentaar, Kluwer, Deventer 1998, blz. 133.