ECLI:NL:PHR:2006:AZ3094

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R06/112HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 2 RvArt. 351 lid 2 RvArt. 342 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken middelen in beroepschrift

De zaak betreft een cassatieberoep van verzoeker tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage dat het vonnis van de rechtbank Rotterdam bekrachtigde, waarbij de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoeker werd beëindigd zonder hem de schone lei toe te kennen.

Het cassatieberoep is ingediend met een verzoekschrift dat niet voldeed aan de eisen van artikel 426a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat het geen omschrijving bevatte van de middelen waarop het beroep was gebaseerd. Hoewel verzoeker na het verstrijken van de cassatietermijn een aanvullend verzoekschrift indiende met een cassatiemiddel, is dit niet toegestaan zonder bijzondere omstandigheden.

De Hoge Raad oordeelt dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een uitzondering rechtvaardigen. Daarom kan verzoeker niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep en wordt dit niet-ontvankelijk verklaard. Dit volgt uit vaste jurisprudentie en de toepasselijke procesregels.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep van verzoeker.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van omschrijving van de middelen en het te laat indienen van aanvullingen zonder bijzondere omstandigheden.

Conclusie

Rek.nr. R06/112HR
Mr L. Strikwerda
Parket, 24 nov. 2006
conclusie inzake
[Verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Ten aanzien van thans verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 2 oktober 2002 de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
2. Bij vonnis van genoemde rechtbank van 25 april 2006 is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] beëindigd zonder aan hem de schone lei toe te kennen.
3. Dit vonnis is op het hoger beroep van [verzoeker] door het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 3 augustus 2006 bekrachtigd.
4. Ramawahd is tegen het arrest van het hof bij een op 11 augustus 2006 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen verzoekschrift (tijdig; zie art. 351 lid 2 jo Pro. art. 342 lid 3 Fw Pro) in cassatie gekomen.
5. Het cassatierekest voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv omdat het niet een omschrijving bevat van de middelen waarop het beroep berust. Hieraan kan niet afdoen dat [verzoeker] op 21 september 2006 - derhalve na het verstrijken van de cassatietermijn - een (aanvullend) verzoekschrift in cassatie heeft ingediend, waarin een cassatiemiddel wordt geformuleerd. Aanvulling of indiening van cassatiemiddelen na het verstrijken van de cassatietermijn is immers in beginsel niet toegestaan. Bijzondere omstandigheden die een afwijking van deze regel zouden kunnen rechtvaardigen, zoals de omstandigheid dat ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet kon worden beschikt over een essentieel processtuk, zijn gesteld noch gebleken. [Verzoeker] kan in zijn cassatieberoep derhalve niet worden ontvangen. Zie o.m. HR 26 november 2004, NJ 2005, 25 en HR 8 juli 2005, NJ 2006, 95. Zie voorts Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005) nr. 143, blz. 309.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden