ECLI:NL:PHR:2006:AZ3094
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken middelen in beroepschrift
De zaak betreft een cassatieberoep van verzoeker tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage dat het vonnis van de rechtbank Rotterdam bekrachtigde, waarbij de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoeker werd beëindigd zonder hem de schone lei toe te kennen.
Het cassatieberoep is ingediend met een verzoekschrift dat niet voldeed aan de eisen van artikel 426a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat het geen omschrijving bevatte van de middelen waarop het beroep was gebaseerd. Hoewel verzoeker na het verstrijken van de cassatietermijn een aanvullend verzoekschrift indiende met een cassatiemiddel, is dit niet toegestaan zonder bijzondere omstandigheden.
De Hoge Raad oordeelt dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een uitzondering rechtvaardigen. Daarom kan verzoeker niet worden ontvangen in zijn cassatieberoep en wordt dit niet-ontvankelijk verklaard. Dit volgt uit vaste jurisprudentie en de toepasselijke procesregels.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep van verzoeker.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van omschrijving van de middelen en het te laat indienen van aanvullingen zonder bijzondere omstandigheden.