ECLI:NL:PHR:2006:AY9222
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkte zorgplicht van bank in tripartiete relatie bij vermogensbeheer en effectenhandel
De zaak betreft de aansprakelijkheid van een bank jegens particuliere belegger in een tripartiete relatie met een vermogensbeheerder zonder vergunning. De belegger had een rekening bij de bank geopend voor vermogensbeheer door Xernthe, die aanvankelijk geen vergunning had. De belegger leed aanzienlijke verliezen door optietransacties die Xernthe uitvoerde via de bank.
De Hoge Raad oordeelde dat de bank geen 'aanbrengen' van de belegger bij Xernthe had verricht in de zin van art. 25 NR Pro 1995 en dat de bank haar zorgplicht niet had geschonden door de belegger niet te waarschuwen voor het ontbreken van een vergunning bij Xernthe. De bank was slechts uitvoerder van transacties en bewaarder van effecten, en niet verantwoordelijk voor het beheer of advies.
De Hoge Raad bevestigde dat de zorgplicht van de bank in een tripartiete relatie beperkt is, mede omdat de belegger een professionele vermogensbeheerder had ingeschakeld. Verder was er geen sprake van margintekorten die de bank tot ingrijpen verplichten. De verkoop van langlopende call-opties vond plaats nadat Xernthe een vergunning had, waardoor het causale verband met de schade ontbreekt.
De Hoge Raad verwierp alle klachten van de belegger en bevestigde het oordeel van het hof dat de bank niet aansprakelijk is voor het vermogensverlies. De bank mocht ervan uitgaan dat Xernthe haar informatieplicht jegens de belegger zou nakomen. De tripartiete overeenkomst was ondanks het ontbreken van een handtekening van de belegger toch tot stand gekomen door gedragingen en stilzwijgen.
Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de zorgplicht van banken in complexe relaties met vermogensbeheerders en bevestigt dat banken niet zonder meer aansprakelijk zijn voor het handelen van onbevoegde tussenpersonen.
Uitkomst: Het beroep van de belegger wordt verworpen; de bank is niet aansprakelijk voor het vermogensverlies.