ECLI:NL:PHR:2006:AY8340

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02748/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22g SrArt. 14j SrArt. 22h Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep tegen beslissing omzetting taakstraf in gevangenisstraf

Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen een beslissing van de politierechter waarbij een taakstraf werd omgezet in een gevangenisstraf van drie maanden. Het hof verklaarde betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep tegen deze beslissing omdat de wet geen rechtsgang voorziet voor een dergelijk bezwaar. Betrokkene stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het vonnis van het hof.

De Hoge Raad overwoog dat tegen beslissingen op grond van artikel 22g Sr, die niet deel uitmaken van een uitspraak over een ander feit, geen rechtsmiddel openstaat. Dit volgt uit artikel 14j, eerste lid Sr, in samenhang met artikel 22h Sr. De klacht dat betrokkene ten onrechte niet was opgeroepen voor de behandeling van het hoger beroep faalt bovendien wegens gebrek aan feitelijke grondslag, aangezien uit het proces-verbaal blijkt dat betrokkene wel is gehoord.

De Hoge Raad verklaarde daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Hiermee blijft de beslissing van het hof in stand dat betrokkene niet-ontvankelijk is in het beroep tegen de omzetting van de taakstraf in gevangenisstraf.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat tegen de omzetting van taakstraf in gevangenisstraf geen rechtsmiddel openstaat.

Conclusie

Nr. 02748/05
Mr. Vellinga
Zitting: 12 september 2006
Conclusie inzake:
[Betrokkene]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde beroep tegen de beslissing van de Politierechter in de Rechtbank Zwolle-Lelystad waarbij hij niet-ontvankelijk is verklaard in het bezwaarschrift tegen de op de voet van art. 22g Sr bevolen tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van drie maanden, ter vervanging van een eerder opgelegde straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van honderdveertig uren.
2. Tegen die op 20 mei 2005 genomen beslissing is namens de betrokkene op 5 juli 2005 beroep in cassatie ingesteld. Door mr. E.S.L. Bos-Veterman, advocaat te Utrecht, is een schriftuur ingediend waarin - als ik het goed begrijp - de klacht wordt geuit dat het Hof betrokkene ten onrechte niet zou hebben opgeroepen voor de behandeling van het hoger beroep.
3. Daargelaten dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken een proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 20 mei 2005 bevindt, dat inhoudt dat de betrokkene aldaar is verschenen en is gehoord, en het middel dus bij gebrek aan feitelijke grondslag zou falen, kan de Hoge Raad aan een oordeel over de klacht niet toekomen. Tegen beslissingen op de voet van art. 22g Sr, die niet deel uitmaken van een uitspraak terzake van een ander feit, staat ingevolge art. 14j, eerste lid Sr, dat op grond van art. 22h Sr van overeenkomstige toepassing is, immers geen rechtsmiddel open, vgl. HR 24 oktober 1995, NJ 1996, 201, m.nt. Sch.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG